Vertraagde erkenning voor Oostendse rhythm & bluespioniers

Goed nieuws voor iedereen die geïnteresseerd is in de voorgeschiedenis van Arno en TC Matic. Het Antwerpse Starman-label, dat in 2013 al de eerste probeersels van ‘le plus beau’ met Freckleface van de vergetelheid redde, brengt nu het hele oeuvre van Tjens Couter weer onder de aandacht. Later dit jaar verschijnen de lp’s ‘Plat du Jour’ en een compilatie met singles en rarities, maar het herdenkingsoffensief wordt alvast ingezet met ‘Who Cares’, de eerste langspeler die Arno Hintjens en Paul Couter in 1976 samen op de wereld loslieten en die op gespecialiseerde fora al jaren tegen hoge bedragen van eigenaar verandert.

Freckleface was eigenlijk een vis noch vleesgeval. Pas in de loop van de seventies zouden de twee kernleden resoluut kiezen voor rauwe rock-‘n-roll en ruige rhythm & blues. De heren van Tjens Couter waren opgegroeid in Oostende, waar via pakketboten de nieuwste plaatjes uit Engeland en de VS werden aangesleept. Het duo had dus sneller toegang tot het werk van de oude Amerikaanse bluesmen en van Britse bands als The Animals, Them en The Kinks, dan muzikanten elders in Vlaanderen, en die muziek werkte duidelijk inspirerend.

Tjens Couter maakte ongepolijste rootsmuziek, die steunde op de snijdende slidegitaar van Couter en het soepele, bluesy harmonicawerk van Hintjens, wiens karakteristieke zangstijl duidelijk beïnvloed was door Kevin Coyne. Alleen deed Tjens' pseudo-cockney-accent een beetje geforceerd aan. Het stel vond uiteindelijk een zielsgenoot in de Aalsterse bluesmuzikant Karel Bogard (zie later ook Kandahar), die ten tijde van zijn langspeeldebuut als producer dienstdeed. Het expressieve slidegeluid van Paul Couter laat zich het best degusteren in ‘I’m On My Way’ en het van Willie Dixon geleende ‘Little Red Rooster’, een bluesclassic die Arno later zou hernemen met Charles & Les Lulus en die tot vandaag nog regelmatig op zijn setlist prijkt.

Onze absolute favoriet uit ‘Who Cares’ blijft, tot nader order, echter ‘Asking Myself All Day’, een even catchy als gedreven nummer met puike snaarverrichtingen van wijlen Tony Boast, dat weliswaar schatplichtig is aan The Stones en The Faces, maar toch blijk geeft van een eigen karakter. Op ‘You Give Me Reason to Live’ valt overigens evenmin iets af te dingen.

Dat Paul Couter overtuigender was als gitarist dan als zanger bleek uit ‘Sometimes I Wonder’, het door de sax van Jacky Eddyn opgeleukte ‘Long Long Time Ago’ en het traag voortschuifelende ‘Sittin’ in the Park’, maar die tracks gaven Hintjens wél de gelegenheid om op zijn smoelschuiver helemaal voluit te gaan. En op ‘Who Cares’ treffen we al de variété-invloeden aan waar Arno tijdens zijn verdere carrière uit zou blijven putten. Het luchtige en frivole ‘The Javatrot’ klinkt niet echt memorabel, maar je hoort er wel al ingrediënten in die later, bijvoorbeeld, in zijn coverversie van Adamo’s ‘La Fille du bord de mer’, zullen opduiken.

‘Who Cares’ oogstte, bij gebrek aan radio-ondersteuning, destijds slechts weinig succes. Hopelijk wordt dat onrecht nu alsnog rechtgezet. Want de pioniersrol die Tjens Couter in de seventies heeft gespeeld, valt zeker niet te onderschatten.

Dirk Steenhaut
Dirk Steenhaut studeerde Engelse letterkunde aan de VUB en was ruim twintig jaar muziekjournalist bij de krant De Morgen. Hij werkt nu freelance, onder meer voor Cobra.be, Knack en het cultuurmagazine Staalkaart.

['Who Cares' – Tjens Couter (enkel op vinyl). Starman, 2015]