Quadriennale Düsseldorf

Rebecca Horn, Zen of Ara
wo 07/05/2014 - 14:19 De derde editie van de Quadriennale Düsseldorf zal niet de geschiedenis ingaan als onvergetelijk. Ondanks een overkoepelend thema is het een ratjetoe aan tentoonstellingen waarin het zoeken is naar kunst die aan je ribben blijft kleven. Al wordt de volhouder uiteindelijk (een beetje) beloond.

quadriennale dusseldorf recensie christophe verbiest kasimir malewitsj piet mondriaan wassily kandinsky yves klein joseph beuys anish kapoor rebecca horn sigmar polke berlinde de bruyckere kate mccgwire alastair mackie max ernst roni horn thomas schutte matt mullican henry moore richard deacon didier vermeiren hans uhlmann markus lupertz pauline m’barek jill scott santiago sierra omer fast aleksandra domanovic sturtevant gunter weseler

Het lijkt een ongeschreven wet in de kunstwereld dat manifestaties als biënnales, triënnales of quadriënnales niet zonder een overkoepelend thema kunnen. Als het werkt, dan is zo’n thema - zoals Il Palazzo Enciclopedico op de jongste Biennale - een meerwaarde. Even vaak is het een molensteen en heb je de indruk dat het theoretische discours even belangrijk is als of zelfs belangrijker dan de kunst. Of dat het thema zo’n brede paraplu is dat er zo veel uiteenlopende projecten onder schuilgaan, dat het nut ervan weinig zinvol lijkt. De derde editie van de Quadriennale Dusseldorf valt in laatstgenoemde categorie. Met als leitmotiv ‘Über das Morgen hinaus / Beyond Tomorrow’ - oftewel de vraag hoe kunstenaars de toekomst zien - kun je immers bijna alle richtingen uit.

De oneindige witte afgrond

De Quadriennale Dusseldorf - dit jaar aan haar derde editie toe - heeft zich nooit alleen op hedendaagse kunst gericht. Integendeel zelfs, de publiekstrekkers hoorden in het verleden tot de oude (Caravaggio) of moderne kunst (Francis Bacon). Dat is dit jaar niet anders. De indrukwekkendste verzameling kunstwerken hangt in de K20. ‘Der weiße Abgrund Unendlichkeit / The Infinite White Abyss’ verzamelt werk van de heilige drievuldigheid van de abstracte kunst: Kasimir Malewitsj, Piet Mondriaan en Wassily Kandinsky. Nergens op deze Quadriennale is de concentratie aan meesterwerken zo groot, maar het vertrekpunt van de tentoonstelling - een vaag idee om te focussen op het belang van witte oppervlakten in de schilderijen van de drie kunstenaars - is amper deftig uitgewerkt en als toeschouwer heb je het raden naar het hoe en het waarom van dat belang. Begrijp me niet verkeerd. Het is een genot om, ik doe een graai, het fenomenale 'Suprematie (Verdwijnende witte vlakken)' van Malewitsj of 'Compositie met acht lijnen en rood (ruitvorm)' van Mondriaan in het echt te bewonderen. En voor wie niet vertrouwd is met de drie kunstenaars is deze in omvang bescheiden tentoonstelling een ideale crash course, maar ze lijkt in de eerste plaats opgezet als uithangbord. Parallel ermee heeft Olafur Eliasson in een andere zaal van de K20 een niet te missen installatie geconstrueerd ('Your Museum Primer') met bewegend licht en een reeks korte, intrigerende, maffe video’s met “opdrachten” voor de bezoekers van ‘Der weiße Abgrund Unendlichkeit’.

Kunst en alchemie

Kunst und Alchemie – Das Geheimnis der Verwandlung / Art and Alchemy – The Mystery of Transformation’ is de hoofdtentoonstelling van de Quadriennale (in het Museum Kunstpalast). Het idee van de kunstenaar als moderne alchemist is niet nieuw, maar de presentatie laat te wensen over. Het tweede deel, met moderne en hedendaagse kunstenaars die als een “alchemist” te werk gaan is intrigerend. Vooral omdat naast the usual suspects (Yves Klein, Joseph Beuys, Anish Kapoor) ook een handvol onverwachte namen opduikt, zoals Rebecca Horn (de naar een pauwenstaart verwijzende installatie 'Zen of Ara') of Sigmar Polke die met hars en zilvercomponenten een uiterst weemoedig doek componeert.
Het eerste deel van tentoonstelling, een onderzoek naar de positie van de alchemist door de eeuwen is een stuk problematischer. Het gaat in de eerste plaats om afbeeldingen van de alchemist aan het werk. Dat levert behalve enkele opmerkelijke werken (‘Alghemist’ van Pieter Brueghel de Jonge of ‘Zelfportret als alchemist’ van David Teniers) toch vooral enkele wanden met weinig vermeldenswaarde schilderijen op. Gelukkig is er de Wunderkammer, afkomstig van de Stiftung Olbricht in Berlijn, met naast elementen die je eertijds (laat 15de tot 18de eeuw) in zo’n kamer kon aantreffen (mineralen, opgeprikte insecten), ook een stel hedendaagse kunstenaars die de indringendste werken van deze tentoonstelling presenteren, alle drie sculpturen: ‘Glass Dome I’ van Berlinde De Bruyckere (uit was vervaardigde takken onder een glazen stolp), het verontrustende ‘Quell’ van de Britse Kate MccGwire (een uit duivenveren vervaardigd wezen dat op een zwaan lijkt en in z’n eigen lichaam bijt) en ‘Untitled (Sphere)’, de uit muizenschedels vervaardigde bolvormige sculptuur onder, ook hier, een stolp, van Alastair Mackie.

Onder de grond

De meest coherente, en tevens meest overtuigende, van de grote tentoonstellingen op deze Quadriennale is ‘Unter der Erde. Von Kafka bis Kippenberger / Beneath the Ground. From Kafka to Kippenberger’. Die behandelt de groeiende interesse van kunstenaars in de twintigste eeuw voor leven onder de grond, als utopie of distopie. Het vertrekpunt is Franz Kafka’s onvoltooide 'Het hol' (Der Bau). Elke toeschouwer krijgt trouwens een nieuwe, door Roni Horn bewerkte publicatie van de novelle (al moet je er bij de kassa wel expliciet naar vragen). De werken zijn divers, maar de band met het duidelijk afgelijnde tentoonstellingsthema is altijd sterk. Bij de hoogtepunten horen schilderijen van Max Ernst ('Le fascinant cyprès'), een met levende mieren gevulde sculptuur van Roni Horn ('Ant Farm') en tekeningen van Thomas Schütte ('Auf wiedersehen'), Matt Mullican en Henry Moore ('Tube Shelter Scenes').

Pauline M’barek, Semiophoren

Beeldhouwerstekeningen en M'barek

Diezelfde Moore is een van de aantrekkingspolen van ‘Auf der Spur der Erfindung – Bildhauer zeichnen / Tracing the Process of Invention – Sculptors Draw’ in de Akademie-Galerie - Die Neue Sammlung die tekeningen toont van kunstenaars die op de eerste plaats als beeldhouwer bekend staan. In de regel gaat het om voorbereidende tekeningen die los van de later (al dan niet) uitgevoerde sculpturen een esthetische waarde hebben. Het werk van Richard Deacon, Didier Vermeiren, Hans Uhlmann en Markus Lüpertz springt eruit.
Het krachtigste werk op deze Quadriennale is van de Duitse kunstenares Pauline M’barek (ze stelde vorig jaar nog tentoon in het Museum van Elsene). In de in omvang bescheiden, maar qua impact overrompelende expo ‘Der berührte Rand / The Tangible Border’ toont ze een reeks werken die ze speciaal voor de opmerkelijk site heeft ontworpen: Kunst im Tunnel - een als expositieruimte ingerichte tunnel vlak bij de Rheinkniebrücke met één koepel waardoor daglicht naar binnenstroomt. Ze presenteert sculpturen (zoals het speelse gipswerk ‘Volume’) en imponeert vooral met drie heel aparte video’s. ‘Glove’ waarin een handschoen in één minuut van de ene naar andere hand - de vingertoppen raken elkaar - verhuist (en weer terug), schijnbaar zonder externe tussenkomst. ‘Semiophoren’: een magisch ballet van twee, in witte handschoenen gevatte handen, tegen een zwarte achtergrond, waardoor ze in de lucht lijken te zweven, terwijl ze met een bijna onzichtbaar, want zwart, object handelingen uitvoeren. En ‘Glance’, een sterke close-up van een oog waarin, als je naderbij bijkomt, van alles te zien valt.

De tegenvallers

De Quadriennale biedt ook regelrechte tegenvallers: ‘Zukunftsperspektiven – Zum Beispiel Les Immatériaux / Future Prospects – Les Immatériaux for instance’ (in de Kunstverein für die Rheinlande und Westfalen), een reflectie op een geruchtmakende, in 1985 door filosoof Jean-François Lyotard in het Centre Pompidou gecureerde tentoonstelling. Of ‘Visionen und Alpträume – Die Stadt der Zukunft im Film / Visions and Nightmares – The City of the Future on Film’ (in het NRW-Forum): een inspiratieloze expo over hoe de voorbije eeuw filmmakers de toekomst verbeeld hebben. Het interessantste waren nog de teksten over elke film, iets wat je dus evengoed in een boek had kunnen lezen. En dat geld ook voor de essentie van ‘Ton. Ein Aufruf Keramische Plastik und Baukeramik 1910–1930 / Clay. An Appeal Sculpture and Architectural Ceramics 1910–1930’ in het Hetjens Museum over het gebruik van klei in de architectuur en beeldhouwkunst zo’n eeuw gelegen. Tussen de geregeld onhandig belichte objecten, staan interessante infopanelen over (vaak art nouveau) gebouwen in Duitsland die versierd zijn met kleiobjecten. Ook hier: meer materiaal voor een publicatie dan voor een expo.

Video muss sein

Een Quadriennale zonder een focus op videokunst is niet denkbaar, maar ditmaal geen retrospectieve van een pionier (zoals Bruce Nauman in 2006 en Nam June Paik in 2010), wel de kleine expo ‘The Invisible Force Behind. Materialität in der Medienkunst / The Invisible Force Behind. Materiality in Media Art’ (in het NRW-Forum) waarin de Australische Jill Scott indruk maakte met ‘The Electric Retina’, een videosculptuur rond het menselijke oog. Ook ‘Smart New World’ (in de Kunsthalle), een expo die onderzoekt hoe dataverzameling een impact heeft op ons leven, heeft krachtige videokunst in de aanbieding: van Santiago Sierra, Omer Fast en vooral Aleksandra Domanovic die in ‘Anhedonia’ de soundtrack van Woody Allens ‘Annie Hall’ voorziet van nieuwe beelden: een eindeloze stroom stock footage die een extra grappige laag aan de woorden schenkt. Minder overtuigende videokunst: ‘Number Eight: Sturtevant’ (in de Julia Stochek Collection) toont vooral aan dat de relevantie van de ooit baanbrekende Amerikaanse artieste Sturtevant, een krasse tachtiger, verdampt is. Haar generatiegenoot Günter Weseler bewijst dat je op 84ste wel nog tot de voorhoede kunt behoren: deze Duitse kunstenaar die al een halve eeuw ademhaling in zijn werk integreert, is de blikvanger van ‘Backdoor Fantasies’ (in KAI 10 - Arthena Foundation en een reeks locaties in de omliggende Medienhafen). Zijn ‘Von der Dunkelheit ins Licht’ lijkt een reeks wollen proppen tegen de muur, maar de objecten bewegen zachtjes - het lijkt inderdaad op ademhalen - en maken geluid. Dat valt niet meteen te merken en je krijgt een schok wanneer je het ontdekt. Of hoe kunst op een schijnbaar eenvoudige manier onder je huid kruipt.

De Quadriennale had méér zulke werken kunnen gebruiken, maar wie geduld heeft en de tentoonstellingen afschuimt oogst uiteindelijk nét voldoende koren om zo’n omvangrijk evenement te legitimeren.

Christophe Verbiest
Christophe Verbiest is redacteur van Pompidou en samensteller van Late Night Shift op Klara. Hij schrijft over popmuziek, film en beeldende kunst.

[ De Quadriennale Düsseldorf loopt tot 10 augustus 2014 op diverse locaties in Düsseldorf. 'Der weiße Abgrund Unendlichkeit' eindigt al op 6 juli. ]