Oorlog en avant-garde

ma 02/12/2013 - 15:03 De herdenking van het begin van de Eerste Wereldoorlog heeft ook Duitsland bereikt. In de Bundeskunsthalle in Bonn wordt de bizarre relatie tussen oorlog en avant-garde kunstenaars uit de doeken gedaan.

bonn duitsland wereldoorlog 1 max beckmann avant-garde dadaisme otto dix camouflage alfred kubin ernst ludwig kirchner

Mijn levenswil is momenteel sterker dan ooit, ondanks de verschrikkingen die ik meegemaakt heb en de verschillende keren dat ik zelf gestorven ben. Maar hoe vaker men sterft, des te heviger men leeft. Ik heb getekend, dat beschermt tegen dood en gevaar.” Zo beschrijft de Duitse kunstenaar Max Beckmann in een brief aan zijn vrouw in 1914 zijn gemoedstoestand tijdens zijn dienst aan het front in Vlaanderen.

Een jaar later heeft de tekenkunst hem dan blijkbaar toch niet echt soelaas gebracht, want in 1915 stort hij fysiek en mentaal volledig in. Zijn verhaal is tekenend voor de evolutie die veel kunstenaars tijdens de Eerste Wereldoorlog doormaken als zij in aanraking komen met het donkerste in de mens. In de Bundeskunsthalle in Bonn wordt dit verhaal van de avant-garde kunstenaars tijdens de oorlogsjaren 1914-1918 op indrukwekkende wijze uit de doeken gedaan.

1914 - Die Avantgarden im Kampf’ toont aan de hand van 300 werken van 60 verschillende kunstenaars hoe de gewelddadige clash van de 19de-eeuwse romantische idealen met de geïndustrialiseerde oorlogsmachine bij veel kunstenaars een onuitwisbare indruk naliet. Voor zover zij de oorlog overleefden, want Umberto Boccioni, August Macke, Albert Weisgerber en Franz Marc halen 11 november 1918 niet, terwijl Egon Schiele kort na de oorlog aan de Spaanse griep bezwijkt.

Voor zij die het wel overleefden was het duidelijk dat alle oude zekerheden hun houdbaarheidsdatum lang overschreden hadden. De omwentelingen in de moderne kunst, die zich al voor het uitbreken van “den grooten oorlog” hadden ingezet, werden door de overlevenden naar een ander niveau getild. De confrontatie van kunstenaars, die in wezen meestal op zoek zijn naar het schone, met het lelijke, de donkerste kant van de mens, resulteert tijdens de oorlog o.a. in de geboorte van het dadaïsme.

In het neutrale Zwitserland wordt door een aantal uitgeweken kunstenaars, die het oorlogsgeweld ontvlucht zijn, in 1916 het Cabaret Voltaire opgericht. De absurdistische en antiautoritaire geest die daar het daglicht ziet, zal bepalend zijn voor de verdere ontwikkeling van de hedendaagse kunst.

Het eerste gedeelte van de tentoonstelling schets het beeld van het culturele klimaat kort voor het uitbreken van de oorlog. Artiesten wisselen ideeën uit en werken op internationaal vlak voor het eerst bijzonder nauw samen, wars van nationale grenzen. Parijs is het centrum van de nieuwe kunst, met enthousiaste aanhangers in Duitsland. De uitbraak van de Eerste Wereldoorlog in 1914 betekent het einde van al deze creatieve bewegingen en voormalige vrienden en collega’s staan plotseling tegenover elkaar als vijanden. Internationale kunstenaarsgroepen worden ontbonden omdat hun gasten plots als “vijandelijke vreemdelingen” worden bestempeld en het gastland dienen te verlaten: Kandinsky gaat terug naar Rusland, Kahnweiler is verplicht om Frankrijk te verlaten, Chagall kan niet terugkeren naar Parijs, de Delaunays vluchten naar het neutrale Spanje enz.

In 1915 schrijft Marcel Duchamp, die naar New York gevlucht is: “Parijs is als een verlaten landhuis. Haar lichten zijn uit. De vrienden zitten allemaal aan het front. Of anders zijn ze al gesneuveld.”

Niet alle kunstenaars kijken op dezelfde idee wijze tegen de oorlog aan. Waar bv. het werk van Alfred Kubin - van wie op de tentoonstelling een magnifieke reeks tekeningen te zien is - al in 1903 op hallucinante wijze de verschrikkingen van de komende wereldbrand “aanvoelt”, schildert Lovis Corinth zichzelf in 1914 als een fiere ridder die zelfverzekerd voor het vaderland ten strijde trekt.

Ook aan Franse zijde zijn er moderne kunstenaars die zich in de aanloop van de oorlog laten inspireren door hun patriottische gevoelens. Bij het uitbreken van de oorlog werkt Fernand Léger aan een doek dat de bevlagde straten van Parijs op de nationale feestdag afbeeldt.

Eens de vijandigheden uitgebroken zijn, belanden veel kunstenaars aan het front. Op de tentoonstelling wordt een grote wand gepresenteerd met foto’s van bekende en minder bekende kunstenaars in uniform. Een ander opmerkelijk deel van het kunstenaarsbestaan in oorlogsgebied is hun inzet als camouflageschilders. Oorlogsschepen, kanonnen en ander materieel wordt van verhullende patronen voorzien die vreemd genoeg een zeker overeenkomst vertonen met sommige kubistische schilderijen. Dat ontgaat ook Pablo Picasso niet als hij op een nacht een gecamoufleerde vrachtwagen over de Boulevard Raspail in Parijs ziet passeren. Tegen Gertrude Stein, met wie hij samen op stap is, roept hij : “Dat hebben wij gemaakt, dat is cubisme.”.

Picasso - die als Spanjaard niet opgeroepen wordt voor de dienst - zit in Parijs ver van het front. De kunstenaars die wel de verschrikkingen van het slagveld aan den lijve ondervinden, dragen daarvan niet alleen de fysieke gevolgen maar heeft ook weerslag op hun geestesgesteldheid en hun werk. Een schrijnend voorbeeld hiervan is het verhaal van Ernst Ludwig Kirchner. Op zijn zelfportret uit 1915 beeldt hij zich af in uniform en met een bloedende stomp waar normaal zijn rechterhand zit. Het is de uitbeelding van zijn panische angsten die hem na de oorlog tot zelfmoord drijven.

Dit stuk van de tentoonstelling, waar de oorlogstrauma’s in het werk van de kunstenaars aan bod komt, is het meest schrijnende en beklijvende. Vooral het beeld van Wilhelm Lehmbruck met een gevallen naakte man maakt een onuitwisbare indruk. Het is een ontwerp uit 1916 voor het oorlogskerkhof van Duisburg, maar de verslagen houding valt niet in goede aarde bij de opdrachtgevers en het beeld wordt geweigerd.

Op het einde van de tentoonstelling stoten we tenslotte nog op een merkwaardige uitspraak van Otto Dix. Deze overtuigde communist, die zichzelf afwisselend als de oorlogsgod Mars én als schietschijf portretteert, verkondigt na de oorlog dat zijn ervaringen aan het front onontbeerlijk waren om de wreedheden en de grens van leven en dood te verkennen. In de jaren twintig wordt hij een van de merkwaardigste chroniqueurs van de Weimarrepubliek die uiteindelijk uitmondt in de nieuwe wereldbrand van de Tweede Wereldoorlog.

[ ‘1914 - Die Avantgarden im Kampf’ in de Bundeskunsthalle in Bonn tot 23 februari 2014 ]