Islam en radicalisme bij Marokkanen in Brussel - Bilal Benyaich

ma 10/06/2013 - 13:23 Er zijn naar schatting 125.000 Marokkaanse Brusselaars, maar over hun religieuze overtuigingen is maar weinig onderzoek verricht. Meteen de eerste verdienste van dit werk van Bilal Benyaich.

bilal benyaich islam en radicalisme bij Marokkanen in brussel non-fictie recensie bert devroey

Het boek van politicoloog Bilal Benyaich over de Marokkaanse Brusselaars heeft in elk geval één grote verdienste: dàt het geschreven is. Aan Vlaamse kant is bij mijn weten nooit eerder een boek verschenen dat zo gericht de religieuze stromingen en krachtvelden in de Marokkaans-Brusselse gemeenschap in kaart probeerde te brengen. Ook voor Vlaanderen is dat onderzoekswerk nog nauwelijks verricht.


In feite illustreert die leemte hoe groot de kloof is in ons land tussen de Marokkaanse gemeenschap(pen) en de Vlaamse intelligentsia. Er wordt wel veel over de Marokkaanse allochtonen gesproken, over radicalisering en over de islam, maar er is nog ontstellend weinig veldwerk gebeurd binnen die gemeenschap. Dat valt gedeeltelijk te verklaren door een gebrek aan taalkennis van het Arabisch of het Berbers, waardoor een kennismaking met de Marokkaanse gemeenschap per definitie oppervlakkig blijft. Toch zou dat als uitleg niet mogen volstaan. Als het waar is dat het aantal Marokkanen en Marokkaanse Belgen in Brussel op ongeveer 125.000 mag worden geschat - de berekening van Bilal Benyaich - dan is het haast onvergeeflijk dat er nog zo weinig journalistiek en/of wetenschappelijk werk is aan gewijd.


Bilal Benyaich staat met één been in de Marokkaanse cultuur en gemeenschap, maar schijnbaar ook met het andere been daarbuiten. Dat stelt hem in staat om de Marokkaanse netwerken met veel afstandelijkheid en uiterst kritisch te benaderen. Of zijn analyse en conclusies de juiste zijn, valt evenwel moeilijk te beoordelen - juist omdàt er verder nog zo weinig onderzocht en gepubliceerd werd.
 

Salafisten in soorten

De belangrijkste en meest opzienbarende conclusie van het boek is dat het salafisme in Brussel in opmars is, en dat we niet blind mogen zijn voor de risico’s van die trend. Benyaich schetst wel een heel verhelderend en nuttig onderscheid tussen vier verschijningsvormen van dat salafisme. Het traditionele salafisme is een soort (ultra-)orthodoxe praktijk van soberheid en geloofsbeleving, die in de eerste plaats in het persoonlijke leven van het individu wordt nagestreefd en nageleefd. Je zou dat kunnen vergelijken (een vergelijking die, voor alle duidelijkheid, voor mijn eigen rekening is) met de levensstijl van ultra-orthodoxe of chassidische joden: als buitenstaanders vinden we hen misschien fanatieke en rare snuiters, met hun kenmerkende kleren, pijpekrullen of hoeden – maar ze lijken voornamelijk met zichzelf en met hun godsdienst begaan en worden niet als een bedreiging gepercipieerd. Op dezelfde wijze zijn er moslims die kiezen voor traditionele kledingvoorschriften en die een groot deel van hun tijd besteden aan koranstudie en gebed. We kunnen het betreuren dat zij daarmee de maatschappij tot op zekere hoogte de rug toekeren en zich afzonderen in een eigen religieus gekleurd netwerk, maar strikt genomen hebben we geen reden om hen die keuze te ontzeggen - evenmin als we die keuze ontzeggen aan orthodoxe joden, aartsconservatieve katholieken of puriteinse protestanten.


Voor zover die persoonlijke salafistische levenswandel de niet-moslim toch met enige argwaan vervult, heeft dat wellicht te maken met de andere verschijningsvormen. Bilal Benyaich ziet het militant salafisme als een activistische, aanklampende, proselytische stroming - die haar invloed en aanhang actief wil uitbreiden en daarvoor de niet-salafistische moslims voortdurend aan de mouw trekt. Een dergelijke stroming draagt doorgaans niet veel bij aan de integratie van de moslimgemeenschappen in de bredere samenleving. Bovendien evolueren heel wat militante salafisten gaandeweg naar een jihadistisch salafisme, waarin geweld een plaats krijgt en vanuit het geloof gelegitimeerd wordt.


Dat onderscheid lijkt me één van de belangrijkste concepten van het boek. Het kan ons helpen om het debat over radicale invloeden in de Belgische islam nauwkeuriger en rustiger te voeren: niet alle diep-devote moslims met een salafistische baardgroei staan klaar om met een explosievengordel een bus op te stappen. Tegelijk geeft Benyaich wel aan dat het onderscheid soms ook een continuüm wordt: van traditioneel salafist kan je militant beginnen te worden, en uiteindelijk een jihadistisch pad op gaan. Juist dat doorstroomrisico lijkt een zekere argwaan tegenover mildere vormen van salafisme te rechtvaardigen. Het komt er allicht op aan om de leiders van het traditioneel salafistische milieu op hun verantwoordelijkheid te wijzen, om het gesprek met hen te blijven aangaan en om hen bij de samenleving van stad en gemeenschap te betrekken.
 

Buitenlandse inmenging

Er is nog een vierde verschijningsvorm van het salafisme: het staatssalafisme. Dat is de leer en praktijk zoals die door een bepaalde islamitische staat geöfficialiseerd wordt. Het wahabisme is de officiële Saoedische versie van het salafisme.


In zijn boek wijst Bilal Benyaich de Saoedische staat en zijn buitenlandse netwerken als de grote verantwoordelijke aan voor de snelle groei en het toenemend gewicht van het salafisme in Brussel. Hij stelt met reden de vraag hoe en waarom de Belgische autoriteiten de voorbije decennia de Saoedische propagandamachine zo mak en naïef lieten begaan. Intussen is het te laat om dat tij te keren, en ook de Marokkaanse overheid is al lang niet meer in staat om haar onderdanen in het buitenland (ondermeer in België) te vrijwaren voor die Saoedische versie van het salafisme.


Toch zijn het niet enkel de Saoedi’s die missionaire activiteiten ontwikkelen. Benyaich legt het verschil uit tussen tabligh en taqfiri, en beschrijft de netwerken en (mantel)organisaties van de (Egyptische) Moslimbroeders in Brussel en in West-Europa. Hij haalt ook de sji’itische invloeden aan, en alludeert op de groeiende spanning tussen soennieten en sji’iten in het Brusselse.


Als lezer dreig je makkelijk je weg te verliezen in dat kluwen van militante, missionaire organisaties en verenigingen. Benyaich waarschuwt ook dat het moeilijk is om moskeeën in één specifieke hoek te situeren. Niet alleen kunnen in een lokale moskee meerdere stromingen door elkaar bestaan, bovendien zullen moskeeën vaak - net als individuen - evolueren van een milde en traditionalistische, volks-Marokkaanse islam, naar een puriteins-salafistische benadering. En waarom zou ook het omgekeerde niet kunnen gebeuren?

Bij het lezen van het boek moest ik onwillekeurig denken aan het activistische blok van christelijk-rechts in de Verenigde Staten. Ook daar zie je een ‘wolk’ van verenigingen, kerken, internetsites, media, tv-predikanten en lobbygroepen die allemaal (en allemaal samen) uit zijn op de grondige evangelisering (of herchristening) van de samenleving. De godsdienst mag dan verschillen, de gelijkenissen zijn treffend.
 

Alarm?

Benyaich wil zeker niet de indruk wekken dat het salafisme reeds de meerderheid van Marokkaanse moslims in Brussel in zijn greep heeft. Wel is hij bang dat het salafisme het overheersende paradigma wordt: de versie van de islam die de krachtigste uitstraling geniet. Waarom de Marokkanen in Brussel zo ontvankelijk zijn voor die benadering, blijft al bij al een beetje onderbelicht in het boek. Benyaich wijst - niet zo verrassend - op de erbarmelijke sociaal-economische toestand en het gebrek aan perspectieven van veel moslims in het Brusselse. Daarbij geldt niet alleen dat discriminatie, achterstelling en werkloosheid een bron kan zijn van frustratie en radicalisering: die analyse is inmiddels even juist als versleten. Bij het lezen van Benyaich raakte ik stilaan overtuigd van een veel banalere verklaring - die de achterstellingstheorie aanvult en ondersteunt. De intense religieuze belangstelling van zoveel moslims in onze steden kan ook te maken hebben met hun teveel aan tijd. Langdurige werkloosheid zorgt niet enkel voor een laag inkomen en een gevoel van mislukking, maar ook voor een gapende leegte: te weinig bezigheden, te weinig identiteit, te weinig zelfrealisatie. Als we aanvaarden dat meer dan de helft van de jonge moslims werkloos blijft, hoeven we niet verbaasd te zijn over hun godsdienstijver.

Bert De Vroey
 

[Bilal BENYAICH (met medewerking van Zibar Omar), Islam en radicalisme bij Marokkanen in Brussel, 2013, Uitgeverij Van Halewyck]