Het wederkerige - Anneke Brassinga

do 08/01/2015 - 12:49 **** In mei wordt de P.C.Hooftprijs, de belangrijkste Nederlandse literatuurprijs voor een oeuvre, uitgereikt aan Anneke Brassinga. Terecht, vindt Paul Demets, die met Brassinga’s nieuwe bundel 'Het wederkerige' zijn geest en zijn woordenschat verruimde.

het wederkerige anneke brassinga recensie paul demets

De duinen door

Waar hoogstaand lentezonlicht wordt gekelderd
naar het van droogte knisperende wortelbroed
langs kronk’lend asfaltlint, raast beschonken
rijwiel over messcherp priemende spooktakken
die satanisch springen vanuit huivend kruinendak-
in het voorbijgaan giechelvonkt hun hoon: lek
is de liefdesband en nimmermeer te plakken.

De titel van de bundel, 'Het wederkerige', wijst op het contact dat Anneke Brassinga wil maken. Met de lezer, uiteraard. Maar ook met het verleden. In twee gedaanten: met de taal, door in onbruik geraakte woorden als ‘beemd’ of ‘gepondereer’ af te stoffen. Brassinga loodst trouwens ook neologismen, zoals ‘spooktakken’ of ‘giechelvonkt’ in haar gedichten binnen. En met de doden. Het wederkerige is een hulde aan het orfische vermogen om in poëzie de doden terug te halen, door hen in woorden op te roepen. Dat bezorgt de gedichten een aanstekelijke weerbaarheid.

Een van de cycli draagt trouwens de titel ‘Orfisch’. Eerst verwijt de dichter de beminde omdat hij geen teken van leven geeft: ‘Doe dan niet alsof/ je nooit meer bloeien zal terwijl wij, broederlijk/ in touw, met zware kruiwagens zeulen om licht// te werpen onder aarde.’ Ze aanroept dan de natuur: ‘Herfsttijloos en wrange duif o/ sta ons bij door het bang struikgewas/ van dit gestotter opdat ij, allerliefste,/ als lelie van leven gloeiende ontspringt/ aan het slijk’.

Natuur

De natuur speelt een bepalende rol in de poëzie van Anneke Brassinga. Maar die is niet altijd even lieflijk. De natuur kan ook onheilspellend zijn, of een bron van melancholie vormen. In dat opzicht bevat haar poëzie romantische motieven. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat ze in het gedicht ‘Het ware leven’ naar de Romantische dichter en proza-auteur Novalis verwijst: ‘Hoe mensen erin slagen vast te houden aan/ de nergens op gestoelde onderstelling dat zij spreken/ om belangrijke, zinvolle zaken bij te dragen/ vond Novalis al in 1797 bewonderswaard.’

Pijn en verdriet vormen de onderstroom van deze bundel, waarin ze onder andere de overleden dichter en proza-auteur Erik Menkveld memoreert. Maar naast de neergang, ziet ze ook altijd de bloei. Brassinga is een dichter die in het verweer gaat. En zo wordt de dood bezworen. Dat moet, want ‘Dood is te klein/ en te groot, maar leven is sterker, bestaat/ in de kortstondige kracht van het zwakke,// in de bijzondere toevalligheid/ van deze stoffelijke samenkomst, in vreugde/ die alle atomen te boven gaat’, zoals we in ‘Kortstondig’ kunnen lezen.

Mystiek en aards

Anneke Brassinga is niet zomaar een taalsmid van nieuwe of een conservator van oude woorden. Ze wil, in een wederkerige relatie met de lezer, een soort dichterlijke mystiek vormgeven. Haar poëzie heeft door de klankkleur ook een extatische dimensie. Wanneer je haar leest, word je even boven het alledaagse uitgetild. Neem het openingsgedicht  uit de cyclus ‘Auf Flügeln des Gesanges’, waarin ze beschrijft hoe vuilnismannen het leven vieren ‘veelstemmig// Schubert ten gehore brengend; een verheffend/ koorlied, rafelig als een vod.’

En toch is haar poëzie aards en herkenbaar. Neem bijvoorbeeld het gedicht dat ik koos, waarin Brassinga een fietstocht in de lente als uitgangspunt neemt om over liefdesverdriet te schrijven.  Door Brassinga’s woordkeuze en ritme word je eerst opgetild, maar de slotregels gooien je met een smak neer. Haar poëzie doet je ook vaak glimlachen. Zo richt ze zich in ‘Nachtpost’ tot een dode: ‘En - vertel- heb je daarginder wel/ net als hier de gamma-uil en jotavlinder?’

In haar essaybundel 'Bloeiend puin' (2008) schrijft Anneke Brassinga dat de lezer ‘aangeraakt’, maar ook ‘gehinderd’ en ‘gestoken’ moet worden. Dat is wat ook gebeurt in deze bundel. Brassinga’s gedichten halen de lezer aan door de zinnelijke taal, maar ze durft ook scherp en afstandelijk klinken. Het zorgt ervoor dat haar poëzie nooit voorspelbaar wordt. Brassinga’s poëzie is voor mij door de vindingrijke manier waarop ze met de taal omspringt een avontuur voor de geest.
 

Paul Demets
Paul Demets is dichter en poëzierecensent.

[Het wederkerige van Anneke Brassinga werd uitgegeven door De Bezige Bij, 2014, 70 blz.]