Enkelvoudig blauw - Adriaan De Roover

ma 22/04/2013 - 11:29 Gisteren werd de driejaarlijkse Paul Snoek Poëzieprijs uitgereikt aan de Nederlandse dichter Tonnus Oosterhoff, voor zijn bundel 'Leegte lacht'. Een terechte bekroning, vindt Paul Demets. Maar hij maakt van de gelegenheid om een hommage te brengen aan één van de genomineerden, Adriaan De Roover, die dit voorjaar 90 jaar werd.

‘Vorm en inhoud zijn bij Oosterhoff op een unieke, ultiem poëtische manier verweven: het is noch opzichtig vormexperiment, noch opdringerige boodschapperigheid’, schreef de jury van de driejaarlijkse Paul Snoek Poëzieprijs van de stad Sint-Niklaas in haar verslag over Tonnus Oosterhoffs bekroonde bundel 'Leegte lacht'. Een erg goede keuze, want weinig dichters in ons taalgebied slagen er momenteel om de mogelijkheden van de taal zo sterk af te tasten, te schuiven met betekenissen en de lezer daardoor uit zijn evenwicht te brengen, zonder dat dit ondoordringbare poëzie oplevert. Altijd behoudt de poëzie van de Nederlandse dichter Oosterhoff een soort luchtigheid, ook al is het universum dat hij ons in 'Leegte lacht' behoorlijk donker.

Hommage aan jazz

Ook de poëzie van de Antwerpse dichter Adriaan De Roover (°1923) verliest zich niet in vormexperiment of boodschapperigheid, maar toch tast ze op haar manier de grenzen van de taal in poëzie af. De Roover hechtte vooral in zijn vroegste werk veel belang aan het woordspel. In zijn poëzie verbindt hij graag zintuiglijke velden met elkaar, improviserend als een jazzmuzikant, het muzikale genre waarmee hij zich altijd zo sterk verbonden heeft gevoeld, zoals blijkt uit het gedicht dat ik koos en uit meerdere andere gedichten in zijn bundel 'Enkelvoudig blauw', waarin hij hommages aan meerdere jazzmuzikanten brengt. Ook De Roovers grote, levenslange fascinatie voor de Romaanse kunst blijkt uit heel wat gedichten in deze bundel.

Prachtig dat René Franken van het voortreffelijke Antwerpse antiquariaat zich al jaren inzet voor het werk van Adriaan De Roover, door zijn werk te publiceren. Hij heeft het, samen met de Utrechtse hoogleraar Nederlandse letterkunde, essayist en dichter Geert Buelens, van de vroegtijdige vergetelheid gered. De Roover is wellicht al te bescheiden geweest, zoals hij zich in ‘avondlandschap’ als een ‘kleine kikker/ in wankel evenwicht’ beschrijft.

avondlandschap

te lang heb ik me wijsgemaakt
dat ik een dichter was
een zanger van het hoge woord
een onvermoeibare letterzetter
in het avondlandschap
dat zich langzaam oplost
in enkelvoudig blauw
nu lig ik als een kleine kikker
in wankel evenwicht
te rillen
in een plasje jazz
en geef de dingen
geen andere namen meer


Adriaan De Roover
 

Mentor van Paul Snoek

Het zou vanuit literair-historisch perspectief mooi geweest zijn als Adriaan De Roover de Paul Snoek Poëzieprijs had mogen ontvangen. Voor de jonge dichter Paul Snoek was Adriaan de Roover (1923) namelijk van grote betekenis. In het interviewboek van Herwig Leus over Paul Snoek, 'Ik ben steeds op doorreis' (1983), vertelt De Roover over zijn kennismaking met Paul Snoek in 1952 en over de manier waarop Snoek heel snel het werk van de experimentele dichters, dat De Roover hem liet ontdekken, absorbeerde.

Snoek schreef volgens De Roover toen ‘klassieke sonnetten, nogal elegisch van toon een beetje ethisch geëngageerd, kennelijk geschreven onder het mentorschap van Anton van Wilderode. "Ik interesseerde mij toen al heel sterk voor de Noordnederlandse poëzie, voor Lodeizen, Andreus, Lucebert, Campert, -Atonaal van Vinkenoog was net verschenen- en ik heb aan Snoek gezegd dat er nog wat anders bestond dan Karel van de Woestijne, Willem Kloos, Albert Verwey en Anton van Wilderode. Ik heb gewezen op het bestaan van een Lodeizen, een Lucebert. Ik gaf hem een paar bundeltjes van deze dichters mee, en een week later stond hij weer bij mij met een stapel gedichten die hij in de die tussentijd geschreven had. Intrinsiek waren die gedichten goed, maar het waren allemaal krek dezelfde Lodeizens en Luceberts. Technisch was Snoek zeer sterk en hij had een enorm assimilatievermogen, ik heb hem daar altijd om bewonderd." 

Paul Snoek verwerkte de invloed van het experiment al snel op zijn manier en schreef gedichten waarmee hij een groot publiek wilde bereiken. En dat lukte hem. Samen met Hugo Claus en Herman de Coninck –over wiens poëzie Adriaan De Roover trouwens vlijmscherpe stukken schreef- behoorde hij in de jaren zestig en zeventig tot de populairste Vlaamse dichters. Daardoor werd hij veel bekender dan zijn mentor De Roover. Terwijl ook de man die hem de weg wees onze blijvende aandacht verdient.

Paul Demets
 

[Enkelvoudig blauw van Adriaan De Roover is een uitgave van Demian, 2011]