Robert Ankers trouweloze tijd

do 20/08/2015 - 16:05 **** Robert Anker, die vooral bekend is als proza-auteur sinds hij in 2002 de Libris literatuurprijs kreeg voor zijn roman 'Een soort Engeland', is ook een belangrijk dichter. Twee keer al werd hij genomineerd voor de VSB-poëzieprijs. Paul Demets liet zich ook door zijn nieuwe bundel overtuigen.

robert anker paul demets recensie onvergetelijke toegewijde trouweloze tijd

Dat ben ik

Een hommel botst drie keer tegen de ramen van de serre.
Een andere hommel kruipt achterwaarts uit een bloemkelk
Vliegt op en botst niet één keer tegen de ramen van de serre.
Is dat een verschil? Het is een vraag die de waarneming opheldert
Tot wat hier staat, meestal laat ik alles maar gebeuren
In het uitzicht, ik pieker ook niet stiekem over mezelf.
Toch komt daarbuiten iets tot stand of valt iets uit elkaar, anders
Dan een hond die een spoor ruikt en zonder de pas in te houden
Naar links zwenkt of naar rechts en dan plotseling stilstaat
En zijn kop opsteekt om te horen waar hij is gebleven
Want een dier weet altijd waar hij is en wat er om hem heen is
Dat is voldoende terwijl mijn denken uit zijn sluimer ongedacht
Iets wekt wat duren wil, waarin ik thuis ben, al was het maar
De late middagzon op straat, een trekker die terugkeert uit het land
Een piepend hek, de jongen met de krant, een hommel voor het raam
Dat ik kan weten: dat ben ik, een leegte die gevuld is met aanwezigheid.

Robert Anker

Robert Anker is een heerlijk grillige dichter. Van melancholisch naar dreigend, van vormvast en lyrisch naar vrij vers en prozagedicht en weer terug. Vooral sinds de eeuwwisseling lijken geen twee bundels vormelijk en inhoudelijk op elkaar. Vergelijk bijvoorbeeld maar de dreiging in ‘gemraad slasser ddt’ (2009) met de cultuurkritiek in ‘In het westen, de laatste trans’ (2011). Diezelfde variatie vinden we in zijn nieuwe bundel ‘Onvergetelijke toegewijde trouweloze tijd’ terug. We vinden prozagedichten in de derde afdeling, De eerste twee afdelingen zijn bij momenten hard, terwijl de laatste drie zachter van toon en melancholischer zijn. Robert Anker is een dichter die midden in deze tijd staat. Hij gaat bijvoorbeeld op zoek naar de Deense tv-personages Birgitte Nyborg en Sarah Lund. Maar hij grijpt ook terug naar zijn moedertaal, het West-Fries en beschrijft hoe eigenaardig die terugkeer naar zijn roots aanvoelt: “Ik sweêl wat woorde op maar ken niet met ze worre/ Ze benne bang en gniepig worren, toen al illegaal/ As ik ze uitspreek gane ze om hullie oigen gloime./ Deimie ben ik weer uitverdan en zei ik nooit meer roime.” Robert Anker durft ook regelrecht grimmig te zijn, zoals in de vierde afdeling: “wij gaan met bekkens en met pauken de woede bedrijven”. Jammer alleen dat de wij-vorm al zo overtuigend gebruikt is door Leonard Nolens in diens bundel ‘Bres’, dat Ankers gedichten hier te sterk aan Nolens’ stem doen denken. In elk geval: Anker houdt de hele bundel je aandacht vast en durft hij de lezer ook wel te irriteren.

Is het ik van de dichter weerspiegeld in de omslag van de bundel? We zien een donker landschap, met daarin een half dierlijke, half menselijke figuur met gespitste oren. Kunnen we hierop de slotregel projecteren van het gedicht dat ik citeerde: “dat ben ik, een leegte die gevuld is met aanwezigheid?” Of beter nog, op enkele versregels in een van de laatste gedichten uit de bundel: “We weten niet wat we zien/ want we weten niet wie we zijn/ iemand anders weet het ook niet/ maar hij kon wel giftige waterverf kolken van ons af, ons met onze/ imitatieoren van een haas”. Het verlangen naar een soort dierlijke staat, waarbij men genoegen neemt met er met volle aandacht te zijn, lijkt te volstaan. Misschien is dat beter dan het voortdurende verlangen, zoals Anker in ‘Dat ben ik’ schrijft, om iets te wekken ‘wat duren wil’. Maar de mens kan zijn denken niet uitschakelen, want, stelt Anker vast: ‘De wereld is te groot om bij te horen en dan nog al dat afscheid.’

Want over de tijd en vooral over de vergankelijkheid gaat het sterk in deze bundel. Anker bedenkt “dat het ook normaal is dat ons leven zich bij het omzien/ met de lichtsnelheid van ons verwijderd heeft/ in het heelal van ons verleden en datzelfde leven/ voor onze ogen krimpt naar de toekomst.”
De tijd kruipt meer en meer in lijf en leden. De mens wordt een leegte, paradoxaal genoeg gevuld met aanwezigheid. En zo komen we uit bij wat ik de meest indringende afdeling uit de bundel vind: de tweede afdeling, ‘Het lege hart’. Daar blijkt ook het woord te kort te schieten. En toch is het een houvast: “want het woord is leeg/ Niet de leegte van het hart maar van het leven/ Dat zonder grond is, het woord is er alleen om niet/ Te vallen, daarom hart: span het op en hou het bij je.” Sterk hoe Anker in deze afdeling op de rand van het cliché balanceert en toch doel weet te treffen.

“Wat is een gedachte waard als ze de taal net niet heeft bereikt”, lezen we nog weer elders. Inderdaad. We moeten niet blindelings geloven in de kracht van de taal. Maar wat zouden we zijn zonder? Alleen de dood kan ons monddood maken. En dan nog.
 

Paul Demets
Paul Demets is dichter en poëzierecensent.

[ 'Onvergetelijke toegewijde trouweloze tijd' van Robert Anker, Querido, 88 blz., 2015 ]