Vandaag ben ik een lege kartonnen doos - Remco Campert

do 25/06/2015 - 12:38 *** Een nieuwe bundel columns van Remco Campert (85): daarvoor recht je je rug. ‘Vandaag ben ik een lege kartonnen doos’ is een feest van herkenning, zij het dat de schrijver steeds uitdrukkelijker worstelt met de verglijdende tijd en zich vaker overgeeft aan ‘doemdenken met zwaarmoed’.

remco campert vandaag ben ik een lege kartonnen doos columns bundeling de bezige bij dirk leyman

Weemoedige lichtvoetigheid, verpakt in een bedrieglijk makkelijke parlandotoon. Het is sinds jaar en dag het keurmerk van Remco Campert (°1929). In zijn gedichten of verhalen kun je zelfs met het vergrootglas geen hooggestemde emoties aantreffen: ironie en zelfrelativering behoren tot het vaste arsenaal van de schrijver, die met 'Het leven is vurrukkulluk' (1961), 'Eetlezen' (1987) en 'Tot zoens' (1991) onze taal zelfs op nieuwe staande uitdrukkingen vergastte. Jeroen Vullings ziet Camperts “onverwisselbare afkeer van pathos en pretentie” als dé rode draad. “Ik heb geen drama in mij. Ik scheer er maar wat langs”, laat Campert een van zijn personages schamper zeggen. “Ik ben de postzegel die halverwege de bestemming van de envelop loslaat.” Maar ondanks die gekoesterde speelsheid heeft Camperts lichtvoetigheid ook iets misleidends. Onder het montere schutlaagje sluipt, vooral in zijn verhalen en romans, steeds die milde melancholie binnen. En de laatste jaren is er een teweerstellen tegen de dood, vooral in columns of poëzie.

Toch torent boven alles nog steeds Camperts zichtbare plezier in het schrijven uit, voor hem een ware “levensbehoefte”: “Schrijven is geen loopbaan. Schrijven is een liefdesaffaire. (…) Ik schrijf wat me voor de voeten komt. (..) Liefdesaffaires heeft men soms meerdere in het leven, terwijl schrijven voor mij een blijvende liefde is”, zo vertelde hij in 1998 in De Groene Amsterdammer. “Ik heb geschreven wat ik heb willen schrijven, in alle mogelijke disciplines” luidde het in een interview met Margot Vanderstraeten. Door dat achteloze talent heeft Campert zich in de literatuur altijd “een zondagskind” gevoeld, “eerder dan een brekebeen.” Elk jaar blijft er wel iets verschijnen van Campert en meer dan ooit recht iedereen de rug als het zover is. Toch haalt hij zijn neus op voor het woord “oeuvre”: “Ik zou mezelf geen oeuvreschrijver willen noemen, ik ben een penny-a-liner. (…) Een broodschrijver. Dat is een eretitel, hoor.” Het is van een milde ironie – maar niettemin zeer terecht – dat Campert dit najaar op het Belgische Koninklijk Paleis de Prijs der Nederlandse Letteren mag ophalen.

Ijsberen door de kamer

Intussen is Campert een categorie op zichzelf die op zijn beurt ook weer school maakt. Op zijn 85-ste is hij nog steeds niet weg te denken uit het literaire leven. Al heeft hij de optredens vaarwel gezegd, elke week opnieuw is hij ’s zaterdags van de partij in een fragiele column in het katern Sir Edmund van de Volkskrant. Campert is een hondstrouwe columnist: hij moet al halfdood liggen voor hij aan zijn wekelijkse plicht verzaakt, net als Martin Bril destijds. Zelfs wanneer hij amper inspiratie heeft, meandert hij toch met zwier zijn plek in de krant vol, puttend uit herinneringen, droomflarden of rondspokende mijmeringen. Tja, “zijn eenmanszaak” - zoals hij zijn schrijverij wel betitelt - moet draaien. Veel van de hier gebundelde columns in ‘Vandaag ben ik een lege doos’ gaan dan ook over dat rondtasten naar de eerste zin (“de zin die alles in beweging moet zetten”) die steeds moeizamer aan de typemachine valt te ontlokken. Het aanzwengelen van de schrijfmotor is een hele klus. Lastiger dan voorheen, daar doet Campert niet flauw over. “Om te schrijven heb ik ook ijsberen door mijn kamer nodig, om op een idee te komen. Ik zit weleens zonder. Ik kijk naar beneden in de tuin of daar mijn heil vandaan kan komen. De bomen en de planten kijken emotieloos terug.” Soms ook is hij zelfs “boekenmoe”, “een slepende kwaal” en dat geldt dan vooral voor proza.

"Parijs is in mij aanwezig"

We voelen in deze columns intens alle finesses van het creatieproces. In deze bundel grijpt hij vaker terug naar het verleden, niet onlogisch, als je heden én toekomst steeds verder afkalven. Naar herinneringen die hem ontglippen: “Was er maar een hogere instantie die ieders herinneringen bewaart en die ik op kon bellen.” En naar dromen, “een voorraadkast van herinneringen en in mijn geval voedsel voor het schrijven”, vol “barre, lieflijke, absurde situaties”. Na het opstaan noteert hij meteen wat hij ervan onthouden heeft, misschien komen ze van pas. Parijs duikt er veel in op. “De stad is in mij aanwezig, ik hoef er niet meer naar terug. Iedereen die ik er kende, is dood. Ik onthoud de stad zoals ik hem gekend heb, toen de vrienden nog springlevend waren, we de zolderkamers bewoonden, over de boulevards zwierven, verliefd door de parken liepen, Jardin du Luxembourg, Jardin des Tuileries. Het was altijd april in Parijs.” Opvallend is ook hoe gretig hij citeert, soms een halve column lang, uit poëzie van zichzelf of van andere schrijvers om zijn denkbeelden te onderstutten. Als het schrijven niet lukt, dan gaat hij soelaas zoeken bij zijn collega’s. Wislawa Szymborska, Les Murray, Joseph Brodsky, Vladimir Majakovksi: Campert zou een uitstekende bloemlezer zijn. En je stuit ook op een verrassende ode aan Lieven Tavernier en zijn boekje ‘ Een bijzonder kind’ (1992).

Seismograaf van het kleine

Steeds is er die attentie voor het gewone, voor wat hem omgeeft en omcirkelt, en houvast geeft – zoals het klokvaste cinemabezoek en het dagelijkse spelletje Scrabble met zijn echtgenote - zal het woord ‘huppelkut’ hem veel punten opleveren? Hij laat momenten oplichten en de beleving verhevigen. De columns fladderen alle richtingen uit, zoals het merkwaardige ‘Luchtgevechten’, waarin laagvliegende vliegtuigen hem plots WO II voor de geest brengen en hij de link legt met “varkens met vliegtuigvleugels” die hij bij Rudy Kousbroek tegen komt. Vaak zwengelt een fait-divers uit de krant zijn inspiratie aan. En opvallend ook hoe Campert steeds weer vriendschap een aanzienlijke plek geeft. De treurnis over wie weggevallen is, is manifest aanwezig. Maar kijk, dan serveert hij weer een ode aan de slappe lach, waarvoor hij altijd aanleg heeft gehad.
 
Misschien het waardevolste én meest samenhangende deel van deze bundel vormen zijn herinneringen aan zijn woonhuizen, zoals zijn verblijf in Parijs aan de Place de la Contrescarpe, met Rudy Kousbroek. Of in huize Jagtlust met Fritzi Harmsen van der Beek: “Met het huis vervuilde ook onze relatie.” Ook Antwerpen komt aan bod, de Gounodstraat, waar zijn werkkamer “een zaal” was. ’s Avonds trok hij met zijn vrienden Hugo Raes en Hugues Pernath de stad in om er de havencafés aan een diepgaand onderzoek te onderwerpen. En natuurlijk zijn huizen in Amsterdam, waar hij nu woont.

Telkens weer weet Campert je voor zich in te nemen en laat hij een aantrekkelijke of melancholische gedachte neerdwarrelen. Hij is een immer alerte observator en een seismograaf van het kleine. Al vraagt hij zich af of hij de lezer wel lastig moet vallen “met mijn duistere aan mezelf gestelde vragen.” Zijn grootste tegenstander is nu de tijd: ”Ik ben opgenomen in de tijd en de tijd kent geen dagen. Maar in de tijd verdrink ik en ik wil boven water blijven. Hoe lang nog?” Erg lang, zo mogen we hopen. En elders klinkt het: “Ik wil de dood voor blijven. Zolang ik schrijf, leef ik.” Om vervolgens Kees van Kooten en diens “doemdenken met zwaarmoed” te citeren. Toch kan Campert zijn ouderdom voldoende in een lachspiegel plaatsen om te blijven schrijven.
 

Dirk Leyman
Dirk Leyman is literair journalist, schrijft voor De Morgen en talloze andere publicaties. Legt zich vooral toe op Nederlandse en Franse literatuur, fotografie en de boekenwereld. Tussen 2006 en 2011 coördineerde hij de literaire website De papieren man.

[Remco Campert, Vandaag ben ik een lege kartonnen doos, De Bezige Bij, 188 pagina’s.]