Een heel leven - Robert Seethaler

do 18/06/2015 - 10:38 **** Er hoeft in een heel leven niet zo vreselijk veel te gebeuren om er toch een aangrijpend boek over te kunnen schrijven. Dat bewijst de Oostenrijkse auteur Robert Seethaler.

boek recensie een heel leven robert seethaler herman jacobs

‘Een heel leven’ was de sensatie van 2014 in Duitsland, waar het tot Boek van het Jaar werd uitgeroepen. Ondertussen staat de roman van Robert Seethaler al tien maanden onafgebroken in de Bestsellerliste van Der Spiegel. Er zijn er die daar met minder recht en reden staan .

Tachtig jaar in honderdvijftig pagina’s

‘Een heel leven’ telt nauwelijks meer dan 150 pagina’s, alsof het ook op die manier wil aangeven dat sommige levens neerkomen op wat dan ‘een karig bestaan’ heet. Honderdvijftig is niet veel, maar genoeg om alle bijna tachtig levensjaren van hoofdpersonage Andreas Egger in onder te brengen.

We schrijven 1902. Als jongetje van vier wordt Egger, die wees geworden is, “uit een stad ver weg, aan de andere kant van de bergen” afgeleverd bij een oom herenboer, waar hij zonder liefde en met veel slaag opgroeit. “Al de tijd dat hij op de boerderij was, bleef hij de jongen van elders, de jongen die nog net werd geduld, de bastaard van een door God gestrafte schoonzus, en de genade van de boer had hij enkel en alleen te danken aan de inhoud van een leren buidel om zijn hals (waar een paar bankbiljetten in hadden gezeten, hj). In feite werd hij niet als kind beschouwd. Hij was een wezen dat moest werken en bidden, en zijn achterste klaar moest houden voor de hazelnoottwijg."
Ook de kreupele loop waar Egger later nog vaak om beschimpt zal worden, dankt hij aan deze Hubert Kranzstocker, die hem op zeker ogenblik een dijbeenbreuk bezorgt – de stok waarmee hij de jongen sloeg was per ongeluk wat te dik. Gespalkt wordt het wel, maar recht aan elkaar groeien doet het niet. Daar staat tegenover – “het was alsof de natuur sinds dat kapotgeslagen been bij hem iets goed probeerde te maken” – dat hij uitgroeit tot een zeer sterke jongeman. En zo wordt hij dan, door zijn hardvochtige pleegvader eruit gegooid, op zijn achttiende een dagloner en leidt hij een uiterst onaanzienlijk leven.
“Naar zijn smaak moest een man zijn blik verheffen zodat hij zo ver mogelijk wegkeek van zijn vertrouwde, beperkte lapje grond.” Dat zegt Egger in 1933 tegen de vrouw die zijn hart heeft geraakt, Marie uit het dorpscafé beneden, terwijl hij haar het onooglijke stulpje laat zien dat hij een paar jaar eerder heeft kunnen kopen, vijfhonderd meter boven het dorp gelegen, net onder de boomgrens. Ironisch is het wel: Egger mag dan misschien vinden dat hij toch voor iets anders in de wieg is gelegd dan voor een met het gezicht naar de bodem gewend boerenbestaan, “zo ver mogelijk” komt neer op een paar kilometer, want in feite verlaat hij het dal en zijn omgeving nooit meer.
Dat wil zeggen: behalve dan tijdens de Tweede Wereldoorlog, die hem meteen tot in de Kaukasus meesleept, waar hij in 1943 met Hitlers troepen vecht tegen het Rode Leger. Maar het is alleen letterlijk een omwenteling in zijn leven, niet figuurlijk. Afgezien van het feit dat hij het er levend van afbrengt, blijft het lot hem overwegend ongunstig gezind (zoals hij eerder al slechts een jaar of anderhalf jaar van de liefde van Marie heeft mogen genieten).

Kunst of kitsch

Niet voor niets opent ‘Een heel leven’ met een vignetachtig verhaal, waarin Egger poogt een oude herder te redden, die hem op zeker ogenblik toevoegt: “De dood is de Koude Vrouw. Ze loopt over de berg en sluipt door het dal. Ze komt wanneer ze wil en haalt wat ze nodig heeft. Ze heeft geen gezicht en geen stem. De Koude Vrouw komt en neemt en gaat. Dat is alles. In het voorbijgaan grijpt ze je en neemt je mee en stopt je ergens in een gat. En in het laatste stuk hemel dat je ziet voordat ze het gat voorgoed dichtgooien, komt ze nog eens kijken en haar adem strijkt langs je gezicht. En alles wat je dan nog rest, is duisternis. En kou.” Eggers repliek: “Jezus. Dat is niet best.”
Een passage die nog vaak door het boek zal echoën, zoals tijdens de acht jaren van zijn krijgsgevangenschap door de Russen: “De dood hoorde bij het leven als de schimmel bij het brood”
Dat is meteen ook het punt van kritiek dat je op dit boek zou kunnen hebben, als je echt zou willen: van een tikkeltje effectbejag kun je de auteur niet helemaal vrijpleiten – in de recensie in Der Spiegel viel het woord ‘kitsch’. (Misschien vanwege zinnen als deze, wanneer Egger op zijn 79ste op zijn leven terugblikt: “Hij kon zich niet herinneren waar hij vandaan was gekomen, en hij wist per slot van rekening ook niet waar hij heen zou gaan. Maar op de tussentijd, op zijn leven, kon hij zonder spijt, met een versleten lach en in grote verwondering terugkijken.”) Maar dat is dan weer te streng: Seethaler is zijn stof helemaal meester en Andreas Eggers leven, zo onbeduidend en heldhaftig tegelijk, laat je niet onberoerd, of je nu wilt of niet. ‘Een heel leven ‘ is erg mooi – en als het dat nu net ietsje minder ook had willen zijn, zou het volmaakt zijn geweest.

Herman Jacobs
Hermans Jacobs (1962) recenseert sinds 1991 literatuur uit alle windstreken (met een zekere voorkeur voor noorden en oosten), van Kirsty Gunn tot Orhan Pamuk, van Harry Mulisch tot Magda Szabó, van Torgny Lindgren tot Juli Zeh, en bij gelegenheid ook non-fictie.

Robert Seethaler, Een heel leven, uit het Duits vertaald door Liesbeth van Nes, De Bezige Bij, Amsterdam, 157 p.