Leo Pleysier 70

©Michiel Hendryckx
do 28/05/2015 - 07:55 ***** Leo Pleysier is zeventig. Als verjaardagscadeau brengt uitgeverij De Bezige Bij zijn Familie-album uit: vijf romans in één band.

leo pleysier boek literatuur boeken recensie auteur de bezige bij familie album

Ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van Leo Pleysier brengt De Bezige Bij vijf van zijn romans uit in één band, waarin het wezen van zijn werk het meest tot uiting komt. Pleysier plaatst zich in zijn geschriften een eind weg van de traditie van de Vlaamse boerenroman, hij creëert er ruimte en perspectief bij. En hij doet dit door diverse familieleden aan het woord te laten, om ze in hun taal te laten zijn wie ze zijn. Hijzelf komt nauwelijks aan het woord, en één man zelfs helemaal niet. “Wat is er toch allemaal met u?”

Betonijzer

In zijn eerste boeken (hij schrijft eigenlijk geen traditionele ‘romans’) distantieerde Leo Pleysier zich met behulp van de literatuur van zijn omgeving, waarvan hij zich reeds als jongeling vervreemd voelde: de boerderij in de Noorderkempen, de zompige velden, de beurelende dieren in de stallen, het onfraaie, vaak brute buitenleven. Een hond die met een betonijzer de ruggengraat over is geslagen. Het opgezwollen kadaver van een koe dat met een bijl wordt opengehakt en de afschuwelijke stank die de gistende ingewanden afgeven. En ook al in zijn debuut ‘Mirliton’ (1971): de zwijgzame, schijnbaar emotieloze vader, wiens leven dit allemaal als vanzelfsprekend uitmaakt. Het valt op hoe vaak het woord ‘angst’ valt in dit boek, angst om de noodzakelijke afstand te nemen, om een geheel andere ‘ik’ te identificeren, om met zijn bijzondere sensitiviteit overweg te kunnen. En de bezorgdheid om dit allemaal verwoord te krijgen.
 

Schabberigheid

Vervolgens zoekt Pleysier in een boek als ‘Negenenvijftig’ (1975) en het drieluik ‘De razernij der winderige dagen’ (1978), ‘De weg naar Kralingen’ (1981) en ‘Kop in kas’ (1983) zijn positie te bepalen in de tegenstelling tussen platteland en stad, tussen de ruwe natuur en de verfijning van de cultuur. Tussen het verleden, zijn afkomst, zijn jeugd en wat daarvan sociaal-genetisch, atavistisch doorleeft in het nu vandaag. Tussen het persoonlijke (het dorp Rijkevorsel, een zoon met meningitis) en het gesublimeerde (het atelier van Mondriaan in Parijs, Rilkes ‘Het dagboek van Malte Laurids Brigge’ – ik sla het dagboek willekeurig open op pagina 48 en lees “angst”, “angst”, “angst”…).
Hij deinst niet langer terug voor zijn afkomst, hij neemt de erfenis op. In ‘De weg naar Kralingen’ bewoont de verteller in dezelfde streek een kubistisch Rietveldachtig huis, maar zwerft hij in zijn geschriften rond in zijn afkomst, ontzenuwt hij de romantische beeldvorming van de boerenkempen door de mensen van vroeger (op een foto) aan te spreken, en trekt hij de schaamte over zich over “de algehele schandelijkheid waarin jullie tot over de oren ondergedompeld hebben gezeten”, over de schamelheid en de “schabberigheid” die hen ten deel zijn gevallen. In plaats van zich af te keren vat hij de koe bij de horens: waarom zou hij met “die onderhand toch wel redeloze onvrede met zijn afkomst niet aan de slag gaan” in teksten “waarin met mijn schaamte nu ook eens wat wordt aangevangen; de wrevel tot op de draad doorlichten als het kan”, om zo “zich opnieuw een weg proberen te banen naar de werkelijkheid van mensen die zich lijken te bevinden aan de overkant van een gapende kuil die schrijvenderwijs nauwelijks nog te overbruggen is”. In deze boeken bepaalt Pleysier de coördinaten van zijn heel eigen afstandelijk standpunt, i.c. zijn vervreemding, en perfectioneert hij ook zijn heel eigen - ondertussen als uniek herkenbaar - taalidioom.

Klankkleur

‘Mirliton’ noemde Pleysier al een “proeve van homofonie”, een poging om naast de juiste woorden ook het juiste klanktimbre te vinden, en dat illustreerde al zijn scherpe gevoeligheid voor de klankkleur van de taal – in een later interview stelt hij dat niets zo sensueel (of zo ongewenst invasief) is als taal, klanken die binnendringen in de gehoorgang. Met dit scherpe gehoor van hem registreert hij de taal van de mensen uit zijn omgeving als de uiting van hun levenswijze, van de manier waarop zij in het leven staan en erop reageren. Zijn mensen zijn zoals ze spreken, en hij laat hen nu zelf vrijuit aan het woord.
 

Intimiteit

In 1989 breekt Pleysier door naar een ruim lezerspubliek met ‘Wit is altijd schoon’ – het succes van dit boek heeft ondertussen van de gewone uitlating een staande uitdrukking gemaakt. Pleysier laat alle tussenkomsten van een verteller weg (op een erg gevoelige epiloog na) uit een lange, in citaten verknipte monoloog van de moeder van de ‘registrator’, na haar dood. Hoe kan dat? Terwijl ze opgebaard ligt, klinken haar stem, haar taal, haar bekommernissen in het gehoor van de verteller nog altijd na, alsof haar dood haar spraakwaterval (“haar taalteveel”) niet heeft opgehouden. In dit - nog altijd Pleysiers bekendste - werk munt hij uit in de weergave van een volks, hoewel niet dialectisch idioom, getekend door die typisch syntactische wendingen (over Gusta: “Bloemsuiker haalde ze nooit meer in huis, zei ze. Dat klontert na een tijd altijd zo na, zei ze, Gusta, bloemsuiker”) en door de seriële indirecte redes (moeder vertelt het wedervaren van de “coiffeuse” die boos was op haar man, omdat ze op het verkeerde uur op de reisbus stonden te wachten: “Ge hadt zelf toch ook eens kunnen nakijken zeker! Had ze gezegd tegen hem, zei ze.”). Maar van tussen de regels wasemt een onmiskenbare gemoedelijkheid, die de zoon vastlegt in haar herinneringen aan kinderliedjes, bij voorbeeld, of in de manier waarop ze haar kinderen bekijkt. En zelfs gaat er aansprekende intimiteit uit van opmerkingen aan zijn adres in het bijzonder, als: “Maar gij!” “Wat is er toch allemaal met u?” “Gij met uw angsten altijd. Gij met uw emoties!” (Dat deze tekst zich uitstekend leent tot een theatermonoloog, gaat Sien Eggers in oktober aantonen in Het Paleis in Antwerpen, en nadien in zowat heel Vlaanderen.)

Bevrozen

Onvoorzien, maar niet onlogisch komen na de moeder ook andere gezinsleden in de kijker, in hoofdzaak de kinderen. In ‘De kast’ (1991) voert de (spaarzaam replicerende ) ‘ik’ een lang telefoongesprek met zijn (praatvaar van een) zus over de nagelaten spullen, waaronder een kast met inhoud, vol met herinneringen dus, zodat “die kast op den duur leek te gonzen en te resoneren van al die verre stemmen door mekaar”. Pleysiers distantie als observator krijgt een concrete variant in ‘De Gele Rivier is bevrozen’ (1993) - de eindredactie op de uitgeverij had bezwaren, maar nee, het moest ‘bevroZen’ blijven - waarin een tante non na decennia lang missionariswerk in China voor een tweede en wellicht laatste keer op bezoek komt bij de familie, en bij die gelegenheid vaststelt hoezeer de Kempen en de zeden veranderd zijn. Het vroegere ontzag voor haar engagement is verschaald tot onverschilligheid en zelfs wrokkigheid, omdat ze zich meer gehecht heeft aan haar missievolk dan aan haar eigen familie. Maar zijzelf ziet de vroegere familiale samenhorigheid uiteengevallen zijn tot onbelangrijke individuele besognes. De Kempen en Vlaanderen, het leven en de mensen zijn veranderd. En onverwacht delen de onthechte religieuze en de afstandelijke nazaat een zelfde vervreemding, als zij gevat opmerkt: “Gij zijt hier ook niet meer thuis precies.”

Pijnlijke ervaringen

De broer die als landbouwingenieur naar Nigeria is uitgeweken, komt even over na de dood van zijn moeder. Op zijn terugvlucht speelt hij in zijn hoofd de film van zijn leven en zijn herinneringen af, en op zijn beurt dringt deze landbouwingenieur van hoog in de lucht daarbij tot diep in de Vlaamse bodem door. Geen groter contrast mogelijk dan tussen dit grijze Vlaanderen en zijn bange, afstandelijke en gereserveerde bewoners, en het broeierige, drukbevolkte en chaotische Lagos en Ibadan – ‘Zwart van het volk’ (1996) - waar hij met zijn zwarte vrouw en kinderen een volkomen ander bestaan heeft opgebouwd. Ten slotte is één familielid nog nooit te horen geweest: de vader. Ook in ‘Volgend jaar in Berchem’ (2000) komt hij niet zelf aan het woord, maar krijgt hij afgemeten contouren als zijn zoons en dochters zich hem bij hun jaarlijkse familiebijeenkomst met gemengde gevoelens herinneren. In een huis waar symbolisch het licht soms uitvalt en de verwarmingsketel mankeert – alsof zijn kilte hen opnieuw overvalt. En merkwaardig: de registrerende ‘ik’ komt alleen weer in de epiloog even in beeld, maar in al de gesprekken van zijn broers en zussen hoor je hem zelf niet één keer – nadat er poliepen van zijn stembanden zijn verwijderd heeft hij van de dokter “absoluut spreekverbod gekregen”. Toch gaat hij de onderneming aan om, in een tekst met de donkere toon van een cello, de brute en pijnlijke ervaringen met de man die door het ruige boerderijleven van hun jeugd hun leven initieel heeft bepaald, af te wegen, te stabiliseren, in taal in te passen en ze – eindelijk – voorgoed vorm te geven. “Vader hield oprecht van zijn kinderen hoor! Zegt onze Robert. (…) Jaja, zegt ons Hilde, het zal wel. Maar het was toch plezanter geweest als zijn liefde wat minder zeer had gedaan, zegt ze.”

Eigen taal

Op zijn heel eigen manier is Leo Pleysier dus teruggekomen van de aanvankelijke afwijzing van het leven op de boerderij en in het dorp. Hij heeft de afzondering en de beperking ervan opgeheven, en er ruimte en perspectief voor ontworpen. Hij is een eind weg gaan staan van de traditie van de boerenroman in de Vlaamse literatuur en heeft de clichés van het boerenleven en van de romantische purperen-hei-Kempen aan de realiteit getoetst en gecorrigeerd. En voor dit alles heeft hij een eigen taal opgesteld. Ook in de boeken die hiernaast en nadien zijn verschenen, heeft hij met steeds meer literaire zen en suggestie en atmosfeer, met steeds krapper literaire omslag, voortgaand op louter zeggingskracht, een steeds beklijvender effect gesorteerd. Met het groeien van zijn oeuvre zijn zijn teksten zodoende steeds meer uitgepuurd en, zo zou je kunnen zeggen, thematisch gereduceerd, stilistisch geciseleerd en klankmatig gesonoriseerd. Na het eerder genoemde drieluik maken de vijf boeken die ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag als een ‘Familie-album’ samen zijn uitgegeven de core van zijn oeuvre uit. Het is, voor de gelegenheid, een voor Pleysiers doen verrassend fors boekwerk geworden. Het stààt er, dit werk.

Jos Borré
Jos Borré is recensent, vooral van Vlaamse en Nederlandse literatuur.

[Leo Pleysier, Familie-album, met een nawoord van Leo Pleysier, De Bezige Bij, Amsterdam, 512 p]