Het was wat was - Geert van Istendael

di 07/04/2015 - 11:47 **** Van Istendael redt mensen, dingen en het dialect van de vergankelijkheid en de vergetelheid voor de duur van een gedicht in zijn nieuwe bundel Het was wat was. Paul Demets is overtuigd van het nut ervan.

het was wat was poezie paul demets geert van istendael bundel

De Kurt

Ge hebt er dat ottokes bijeenhouden
of tembers of toen dat ik klein was
stekkedozekes. Ik niet;
Ik ben voor de posturekes.
Ik ben begost met tuinkabouters,
enkel dat.
Maar op ‘nen dag
zagge ‘k ik in de winkele van den Boerenbond
een negerke dat een banaan aan ’t pellen was.
Ik dacht, dat is’t. Dat moet ik hebben.
Dat vinde ‘k ik nu ‘ne keer
effenaf schoon, zie, dat negerke.
Ja, en ge weet, van ’t een komt ’t ander.
Awel, veel staat er niet op mijne spaarboek.
’t Gaat allemaal naar mijn posturekes.

Het laatste da ‘k gekocht heb is die koei daar, zie.
Niet goeiekoop, maar zie ’n keer
wat een schoon zwarte plekken dat die heeft.
Zoude ze niet direct gaan melken?

 

Geert van Istendael
 

In de eerste afdeling, ‘Ding en dier’, zien we opnieuw de fascinatie van Geert van Istendael voor dingen, die we sinds zijn bundel Het geduld van de dingen (1996) kennen en die we sindsdien in elke nieuwe bundel mogen begroeten. Hij heeft het nogal voor voorwerpen waar we al te achteloos gebruik van maken. En hij laat die in hun eigenheid: ‘Jij weet van niets. Jij bent getal van alles./ Een kleine sprong en het gewicht kan gaan./ Jij wacht, onaangedaan, op nieuw bericht.’ , zegt hij aan de ‘Brievenweger’. Maar net in die eigenheid schuilt de kracht van deze voorwerpen. Want ze weten soms generaties te overleven, zoals het ‘Klokje boven de keukendeur’: ‘Het is toch een wonder,/ dat email; geërfd, afgesopt, al negentig jaar,/ en heel die tijd heeft geen enkele kras het geschonden.’ In ‘Mand ‘ verbindt Van Istendael zijn fascinatie voor dingen met de muziek waarmee we ze een naam geven: ‘Kijk toch hoe onze taal dit ding bemint:/ korf, mars, ben, paander, gondel, kaar, karbies./ Mand draagt meer namen dan een koningskind.’

Hij kruipt ook in de huid van een al te vaak geminacht, intelligent dier: het varken. Het beest, dat te nemen of te laten is, blijft bestaan zolang men niet beslist om het in voedsel om te zetten: ‘Ooit word ik zwoerd. Of lap./ Dat andere schepsel zal zijn lippen likken./ Nog niet. Nu duurt. Ik ben die ben. De dikke.’

In de afdeling ‘Bomen’ beschrijft hij de kracht en de kwetsbaarheid van verschillende boomsoorten. Over de beuk schrijft hij bijvoorbeeld: ‘Beuk collectieve reus/ vermenigvuldiging van verticalen/ die zonnestralen dwingt/ in schuine banen naar de zure grond// Vervallen edelman/ grijs gladgeschaafd sacraal/ duistere kardinaal/ één storm één nies van God/ en heel het woud ligt kaal.’

En dan is er de bijzondere afdeling ‘Mensen’. Met veel gevoel voor de manier waarop volkse figuren denken en spreken, zet hij een reeks sterke, tragikomische portretten neer, als een soort verzamelaar van ‘schone’ mensen. Bijna zoals ‘De Kurt’ met zijn ‘posturekes’ in het gedicht dat ik koos. Zoals Van Istendael in de toelichting zelf zegt, laat hij de figuren niet zomaar Brabants uit Brussel en de rand spreken, maar probeert hij wel het dialect op te roepen door behoorlijk wat dialectwoorden te gebruiken. Van Istendael is in Het was wat was de conservator bij uitstek van dingen, dieren, mensen en het dialect.
Tegenover al die ‘schone ‘mensen, dieren en dingen plaatst hij in de laatste afdeling het superioriteitsgevoel van zij die geld en macht hebben: ‘Want alleen wij begrijpen/ de hogere filosofie/ van duizenden miljarden yen dollar en dukaat/ braspenning euro’s en florijnen/ wij flonkeren in het kristallijne schijnen/ van poen// Wie doet ons wat’. Terwijl de ondergang dreigt: ‘de bergen van de welvaart smelten om ons heen.’
 

['Het was wat was'  van Geert van Istendael is een uitgave van Atlas/Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2015, 56 p.]

Paul Demets
Paul Demets is dichter en poëzierecensent.