Hotelmens - Joseph Roth

do 10/04/2014 - 09:56 Audio update: ma 28/04/2014 - 13:15 *** Levenslang verslaafd aan alcohol én aan het transitbestaan in hotels. De Oostenrijkse schrijver Joseph Roth kon niet aarden in het burgermansleven, maar hield wél van een grote train de vie. In 'Hotelmens' voert hij ons mee naar zijn hotelmanie.

hotelmens joseph roth els snick stefan zweig recensie dirk leyman oostende

 

 

De bekoring van een anonieme hotelkamer: ze was Joseph Roth (1894-1939) op het lijf geschreven. Bloednerveus werd hij van een huiselijke omgeving. Veel liever leverde hij zich over aan de zorgen van tijdelijke kamermeisjes, lakeien, kelners en portiers en sloeg hij het va-et-vient gade in de lobby’s en de ontbijtkamers. “U had helemaal gelijk. Ik hoor niet thuis in huizen. Het is ook de laatste keer dat ik me aan zo’n dwaas experiment heb gewaagd”, zo schrijft Roth op 15 februari 1935 vanuit Hotel Imperator in Nice aan zijn vriend Stefan Zweig, na een zoveelste faliekant afgelopen samenwoon-poging. “Ik kan geen toilet delen met bekenden en in pyjama gezien worden en hen zelf ook zo te zien! Gruwelijk!”

Zinken als een baksteen

Sinds zijn achttiende had Roth – de Oostenrijkse schrijver-journalist van onder meer 'Job', 'De Kapucyner crypte', 'Hotel Savoy' en het wereldberoemde 'Radetzkymars' – nooit meer in een huis gewoond. “Ik logeerde hooguit een keer een week bij vrienden. Alles wat ik heb zit in drie koffers. En ik vind dat eigenlijk helemaal niet raar. Ik vind het wel raar, ‘romantisch’ zelfs, om in een huis te wonen, met foto’s aan de muur en zo”, zo meldde hij al in 1929 aan Zweig.

Roth rotste geheel Europa af en vergaarde naam en faam als reisverhalenschrijver. Omdat zijn ster rees – vooral vanaf 1923 toen hij in dienst trad van de toen toonaangevende Frankfurter Zeitung – begon hij op grotere voet te leven in hotels, eerst nog met zijn vrouw Friederike. Maar toen haar zware depressie het samenleven onmogelijk maakte, trok hij op eigen houtje van hotel naar hotel, intussen ook doorgebroken als romanauteur. En kreeg hij nieuwe, tijdelijke geliefden, waaronder Irmgard Keun en Manga Bell. Naderhand belandde Roth in het exil, zeker toen de annexatie van Oostenrijk door nazi-Duitsland een onontkoombaar feit was. Omdat hij de schulden opstapelde en zijn alcolholverslaving hem volkomen in de greep had, werden de hotelverblijven minder florissant en Roth zelf een steeds havelozer zwerfkat. Nochtans was hij erg bedreven in het lospeuteren van voorschotten bij zijn lange rij uitgevers, intussen schrijvend als een bezetene. Uiteindelijk overleed hij in Parijs in een armenhospitaal op 27 mei 1939, na een delirium tremens. “Een te zwaar beladen boot, die zinkt als een baksteen”, zo luidde een visionaire omschrijving van Auguste, Roths favoriete portier in zijn Parijse hotel uit 1936.

Menselijk gewriemel

“Roth was een mythomaan en het hotelburgerschap maakte deel uit van zijn zelfgecreëerde aura”, schrijft Els Snick in het nawoord bij 'Hotelmens', de door haar samengestelde én vertaalde bundel waarin het hotelleven van Roth uitvoerig is gedocumenteerd. Eerder al publiceerde Snick het goed onthaalde 'Waar het me slecht gaat, is mijn vaderland' (2013), over Roth’s omzwervingen in Nederland en België. En daarmee lijkt wederom een zekere Roth-revival ingezet, al heeft het de schrijver aan bewonderaars in de Lage Landen nooit ontbroken. Denk aan Mark Schaevers (en zijn kundige portret van de exilantenschrijvers in ‘Oostende, de zomer van 1936’) en Benno Barnard.

De leidraad voor dit hotelboek is 'Panoptikon', waarin Roth zijn feuilletons over het hotelleven in 1930 aanvankelijk bundelde. “Am Zoo, Le Foyot, Nautique, Bristol….in vele steden – in dit geval Berlijn, Parijs, Marseille en Wenen – heeft Roth zijn favoriete hotel. In Amsterdam is zijn vaste stek het Eden Hotel”, noteerde Schaevers daarover. Eerst schotelt Snick ons reportages voor waarin Roth zich ontpopt tot alerte observator, als betrapper van het leven in de hotellobby’s en ook als gast in de luxehotels, waar hij zich als een vis in het water voelde tussen de mondaine figuren en gepoederde dames. Hij schetst tedere portretten van portiers, dienstmeisjes, kruiers of zaakvoerders. Het leven in een hotel is een vreemd ballet, Roth toont een warm en vaak gevoelig oog voor het menselijk gewriemel, waarbij hij het liefst als toeschouwer aan de zijlijn bleef. 

Smeekbedes

Later wordt het een tikje minder met Roths train de vie. Hij gaat noodgewongen als berooide emigrant rondschuimen in tweederangshotels. Maar de aantrekkingskracht van de transitruimtes blijft onverminderd. Roth leefde bij de gratie van de tijdelijkheid en van paradoxen – hij was een Jood die flirtte met het katholicisme maar als rooie jongen ook heimwee had naar de Habsburgse tijd. Iets minder sterk zijn de toegevoegde fragmenten uit de brieven aan literaire moloch en vriend Stefan Zweig, eerst nog erg formeel, later steeds vertrouwelijker. Maar misschien gaat het vooral om ietwat te willekeurig gekozen stukken. Zweig fungeerde als financiële melkkoe en ging telkens weer overstag voor de smeekbedes van Roth.

In het fragment ‘Afscheid van een hotel’ uit 1929 klinkt het: “Ik wil me hier thuis voelen, maar niet thuis zijn. Ik zou willen komen en gaan, komen en gaan. Het is mooier te weten dat hier een hotel op mij wacht.”  Roth weet de ambivalentie van zijn eeuwig dolen en gemangel tussen aankomst en vertrek goed te vatten en is altijd opgetogen als het hotel hem geen hechtingsvoorwerpen blijkt te bieden: “Gelukkig staat er niets in deze kamer, geen enkel voorwerp, waarvan de aanblik mij treurig zou maken!” Hij herhaalt het wel vaker: “Ik begroet het goedkope behang, het glanzende, onschuldige porselein van de wastafel, de blank metalen, glimmende waterkranen en het meest wijze boek dat er bestaat: het telefoonboek.” Je moet haast vermoeden dat Roth een verre voorafspiegeling is van de personages van de Franse schrijver Patrick Modiano, die zich telkens weer verschansen in schimmige en onpersoonlijke hotels.

Als gangmaker naar Roths fameuze werken is 'Hotelmens' alleszins ideaal, al merk je wel eens de haast en de losse pols waarmee Roth sommige fragmenten neerpende. Let vooral ook op de erg geslaagde zwart-witillustraties van Peter van Hugten, die op hun best doen denken aan het werk van Félix Vallotton. Jammer dat het boekje na lezing al bijna uit elkaar valt en je met een hoop losse bladeren dreigt opgescheept te zitten. Of is dat een welbewuste metafoor voor het versplinterde en rusteloze leven van Joseph Roth? 

Dirk Leyman
Dirk Leyman is literair journalist, schrijft voor De Morgen en talloze andere publicaties. Legt zich vooral toe op Nederlandse en Franse literatuur, fotografie en de boekenwereld. Tussen 2006 en 2011 coördineerde hij de literaire website De papieren man.

[Hotelmens, Reportages en brieven van Joseph Roth, vertaling en nawoord van Els Snick is uitgegeven bij Bas Lubberhuizen, 124 p]

Ode aan Roth in Oostende

Op 1 juni 2014 brengen Geert Mak, Stefan Hertmans, Arnon Grunberg, Tom Lanoye, Els Snick, Pierre Bokma, Elsie de Brauw, Gene Bervoets, Ans van den Eede en Seppe Decubber een ode aan Joseph Roth, ter gelegenheid van zijn 75ste sterfdag. Titel: 'Vlucht zonder einde'. In De Grote Post in Oostende, waar Roth in de jaren dertig  verbleef.