Thomas Blondeau (1978-2013)

ma 21/10/2013 - 17:57 Amper drie romans laat de dit weekend overleden Thomas Blondeau ons na. Dat de auteur meer in zijn mars had, lijdt nauwelijks twijfel. Dirk Leyman blikt terug op een bescheiden oeuvre in volle ontplooiing.

thomas blondeau dirk leyman ex donderhart west-vlaams versierhandboek appreciatie obit in memoriam

Een literair manusje-van-alles, een ‘vrij zwevende’ geest, een man die wel eens graag een opinion chic op de hak nam en voor tal van bladen en tijdschriften kwaliteitsvol werk afleverde. Thomas Blondeau leek soms eerder een volbloed journalist dan een gedreven romanschrijver. Anderzijds was hij een typische exponent van deze tijd: de wisselwerking tussen de twee bood hem brandstof, het voortdurend haasje-over tussen de buitenwereld en de rust van de schrijfkamer zinde hem het meest. Hij fungeerde geregeld als Boekendokter voor Cobra.be en toonde er zijn immense belezenheid en esprit. Verder schreef hij zowel voor NRC Next, Psychologies, De Standaard, HP/De Tijd en De Morgen. Bovendien was hij werkzaam als halftijds eindredacteur bij het Leidse universiteitsblad Mare. Ook stelde Blondeau twee bloemlezingen samen, de eroticaverzameling Hard en teder. Nederlandse en Vlaamse erotica’ en Agent provocateur, 20 onder 35’, waarin hij de jonge garde samenbracht.


En toch nam Blondeau het romanschrijven erg serieus. Het was geen ‘tijdverdrijf voor enkele fijne luiden’. Hij vond dat hij maar iets mocht publiceren wanneer de noodzaak zich uitdrukkelijk toonde. Hoezeer Blondeau ook wel eens mocht grossieren in het tongue in cheek – kijk maar naar Het West-Vlaamse versierhandboek met die komische voetnoten en commentaren onderin – hij was wel degelijk doordrongen van het belang van de roman. En niet zomaar schrijven voor één man en een paardenkop. Nee, je moest als hedendaagse schrijver je publiek opzoeken: “Sommige schrijvers vinden dat literatuur vanzelf al een nobele activiteit is. Ze bekommeren zich nauwelijks over de respons. Ik wil geen zeven romans in tien jaar schrijven om daarna te beseffen dat ik mezelf niet kan vernieuwen”, vertelde hij me recent nog in een interview voor De Morgen.
 

Storm und drang

Thomas Blondeau miste destijds zijn start niet als romancier. Voor zijn debuutroman 'eX' (2006) werd hij getracteerd op allerhande lofzangen en gekoesterd als een talent in de dop. Al eerder had hij zich laten opmerken met kortverhalen en gedichten in literaire tijdschriften. 'eX' volgde de studentikoze strapatsen van een troep doelloze jongeren met als middelpunt de aantrekkelijke tv-journaliste Halcia. Haar verdwijning en dood is in de roman aanleiding tot een breed uitgemeten mediacircus. Wel meer aspecten van 'eX' baadden trouwens in een zekere mateloosheid: Blondeaus metaforiek en al te kwistig uitgestrooide anekdotiek deed de argeloze lezer af en toe hoofdschudden. Sturm und drang van een debutant, zullen we maar denken. Je wil voor je eersteling wel eens een en ander uit de kast halen.


In zijn tweede roman 'Donderhart' verlegde Blondeau de actie naar Londen, waarin hoofdpersonage Max Gosset in de periode van de metro-aanslagen in juli 2005 op sleeptouw wordt genomen door een oude geliefde. 'Donderhart' – de titel is afkomstig uit een song van The Foo Fighters - werd geafficheerd “als geschreven in een directe, kernachtige stijl die de lezer mee op een hallucinerende tocht door Londen neemt”. Opnieuw begaf Blondeau zich in het journalistieke milieu. Hoofdpersonage Max Gosset is een ambitieus redacteur bij het weekblad Criterium. Na een blitzcarrière op de politieke redactie maakt hij nu vooral portretten en interviews. Dankzij gevlei bij zijn baas Barendse acht hij zich zelfs niet kansloos op het adjunct-hoofdredacteurschap. De setting deed een beetje denken aan Yves Petry’s 'De laatste woorden van Leo Wekeman'.

'Donderhart' speelde zich af in juli 2005. Max staat op het punt te vertrekken naar Londen, waar hij een interview op stapel heeft staan met de Amerikaanse succesauteur Andrew Halberstam, een soort kruising van Dan Brown en James Ellroy. Onverwachts is er de ontmoeting met Eva Witkin, zijn grote jeugdliefde die hem destijds nogal koudbloedig de bons gaf. Zeven jaar geleden is het dat ze elkaar voor het laatst zagen, maar bij Max blijkt de wonde nog steeds te schrijnen. Eva is intussen een gevierde popdiva die met haar groep volle zalen trekt en in Londen een paar optredens voor de boeg heeft. Max kruist haar pad wanneer hij morsig een wafel zit te verorberen op station Brussel-Zuid, vlak voor het vertrek van zijn Eurostar. Ze spreken af om elkaar in Londen nader te spreken: “Dit moet beter. Laten we elkaar zien. Laten we elkaar weer vaker zien”, zo pookt ze de verwachting weer op. Daags na zijn aankomst blijkt Max terecht te zijn gekomen in een stad die in haar hart geraakt is door de terreuraanslagen op de underground en een bus. Pas langzaam dringt de impact tot hem door, wat zijn journalistiek instinct dan toch doet ontwaken. Uiteindelijk schiet hij in actie, met wisselend succes.


Blondeau’s ambitie met 'Donderhart' was zonneklaar: een totaalroman die zowel tijdsfresco, amoureuze verwikkelingen, cultuurkritiek als psychologisch portret wilde combineren, enigszins à la Christiaan Weijts (let ook op de talloze ingevlochten muzikale motieven). Bij Blondeau werd het een fragmentarisch, ruw gestikt lappendeken van vaak nogal geforceerde plotlijnen en observaties. Opmerkelijk zijn de diverse paniekaanvallen van het hoofdpersonage: aan overmatig bonzende harten, bijna barstende borstkassen en pompend bloed is er geen gebrek. Het is ietwat luguber om dit nu te lezen, als je bedenkt waaraan Blondeau dit weekend gestorven is.
 

Zelfhulpboek en adolescentenkroniek

Met zijn nieuwste roman toonde Blondeau aan dat hij zijn leergeld heeft afbetaald en de teugelloosheid wist te bedwingen. In 'Het West-Vlaamse versierhandboek' keerde hij terug naar zijn roots aan ‘de Schreve’ en zet Blondeau nogal wat verhalen in de steigers. Zijn hoofdpersonage (en soort alter ego) Raf Fauchery zoekt soelaas in zijn geboortedorp, na een gebroken relatie en verblijf in het buitenland. De openingszinnen laten weinig aan de verbeelding over, Raf zit wel degelijk op de bodem: “Omdat ik alleen maar kan denken aan uit het raam springen of haar vermoorden, moet ik terug. Terug naar de plaats waar het nooit in me opgekomen is om mijn of andermans nek te breken – het dorp waar ik ben opgegroeid.” Al schrijvend poogt hij een depressie af te wentelen, maar de pen stokt en de ideeën blijven krachteloos. Bijna tegen wil en dank raakt Raf ingesponnen in de strapatsen van de lokale politiek. Het dorp is intussen het decor van een soort paleisrevolutie. Het scheurt zich af van de moederstad onder impuls van de moddervette goeroe en ex-landmeter Jozua Goeminne, ‘een draaikolk van donsdekens’, ‘een protserige mythomaan’ die met ellenlange preken de dorpelingen aan zijn kant krijgt.

Zonder veel moeite kun je Roesbrugge en Poperinge herkennen, waar Blondeau opgroeide. En je hoeft ook geen politicoloog te zijn om vast te stellen dat Blondeau de politieke tribulaties een allegorische lading meegeeft. Er wordt duchtig geknipoogd naar de separatische neigingen van de N-VA, de clichés over West-Vlamingen staan dik in de verf. Maar naarmate de roman vordert, voel je dat er meer toenadering en begrip komt voor het soms bucolische, dan weer burleske dorpsleven, ja, dat zelfs een vleugje nostalgie opwolkt.


Ondertussen ontstaat er een toenadering tot Serena, de ongrijpbare, getroebleerde notarisdochter de biomedische wetenschappen studeert. Niet het archetype van de femme fatale begint ze Raf meer en meer te intrigeren, zeker omdat ze haar kaarten niet snel op tafel legt. Blondeau maakt van 'Het West-Vlaamse versierhandboek' vervolgens ook een zelfhulpboek en adolescentiekroniek. Raf becommentarieert zijn eerste stappen in de liefde om ze in ‘een West-Vlaams versierhandboek’ te gieten, rijkelijk gelardeerd met seks of pogingen daartoe. Het leidt tot een flinke partij tragikomisch ongerief en tot fraaie erotische scènes.


Opmerkelijk is de vorm waarin Blondeau zijn roman goot: genummerde korte hoofdstukken, soms doorspekt met notities, meer essayistische stukken en de passages uit het zelfhulpboek. Dat maakt de roman lichter en soepel leesbaar. Het verwijst wellicht ook naar Roland Barthes, die ook op andere manieren de roman mee inspireerde. Het leitmotief in deze kroniek van debacles is uiteindelijk toch de frenetieke zoektocht van een stuurloos personage naar zijn identiteit en naar wat de liefde voor hem écht in petto heeft. Gelouterd kruipt Raf uit het dal en vindt hij weer aansluiting bij de wereld.
 

De balans

Welke richting zou Blondeau inslaan na deze – geenszins perfecte - roman? Het valt amper te voorspellen. Zeker is hij dat hij met Het West-Vlaamse versierhandboek eindelijk maturiteit toonde en de wisselvalligheid van zijn eerste twee romans wist af te schudden. Er school veel meer evenwicht in zijn schriftuur, de metaforiek was veel accurater. Blondeau zocht en vond geleidelijk de balans tussen het komische en het zwaarmoedige, het ironische en satirische. Blondeau had wel degelijk iets te vertellen. Precies daarom had ik hem graag ook eens essays zien neerschrijven over de auteurs die hem behaagden en inspireerden of de onderwerpen waarover hij vaak zo’n pittige tweets of Facebookupdates de wereld instuurde. Helaas.

 

Dirk Leyman
Dirk Leyman is literair journalist, schrijft voor De Morgen en talloze andere publicaties. Legt zich vooral toe op Nederlandse en Franse literatuur, fotografie en de boekenwereld. Tussen 2006 en 2011 coördineerde hij de literaire website De papieren man.