"Ik leef tegen mijn goesting"

zo 17/04/2011 - 12:22 Om straffe uitspraken is de oudste nog levende Vlaamse stripauteur Pom nooit verlegen geweest, al hield hij de pers jarenlang op afstand. Maar vandaag wil hij voor één keer spraakzaam zijn. De reden: Piet Pienter en Bert Bibber bestaan zestig jaar.

graphic novels & strips boek strip piet pienter en bert bibber pom jozef van hove interview geert de weyer

Pom

Die verjaardag wordt vandaag gevierd met een overzichtstentoonstelling en een hommagealbum dat vandaag wordt voorgesteld op de Gentse Stripbeurs. Geert De Weyer sprak met een 'urk' over Piet, Bert, Susan en professor Kumulus en... het leven daarnaast.

Maar liefst drieëneenhalf miljoen albums van 'Piet Pienter en Bert Bibber' gingen er sinds de jaren vijftig over de toonbank, maar de generatiegenoot van Willy Vandersteen, Jef Nys, Bob De Moor en Marc Sleen heeft nooit tot de zogenaamde Grote Vlaamse Vier behoord. Misschien bekleedde hij wel de vijfde plaats. Zeker is dat zijn persoonlijkheid en zijn aversie voor aandacht in zijn nadeel hebben gespeeld. Hij zocht geen contact met andere stripmakers, joeg menig uitgever de gordijnen in en bezocht niet één keer in zijn leven een stripbeurs.

Hij heeft zichzelf nooit belangrijk gevonden, zegt Pom, alias Jozef Van Hove (91) Maar toch. In zijn bescheiden bungalow in Nijlen prijken, naast een Vlaamse vlag en enkele foto's van zijn overleden partner Mieke, Piet Pienter-tekeningen aan de muur, alsook een krantenkop met de woorden 'Pom, fenomeen in de stripwereld'. “Ik doe wel of ik bescheiden ben, maar eigenlijk ben ik best wel fier op mijn werk, hoor,” lacht hij.

De verbittering heeft evenwel toegeslagen, al is er nog de spreekwoordelijke korrel zout. Pom gromt, bromt, zucht en herhaalt voortdurend dat niets hem nog kan schelen, maar wie verder kijkt bemerkt de fijne lachjes en cynische, soms gitzwarte humor die hij subtiel de ether instuurt.

Duidelijk wordt dat Pom niet de stroeve man is die de weinige journalisten die hij te woord stond, van hem probeerden te maken. Maar ook al is ie de negentig voorbij: scherp blijft hij wel.

 

Antwerpen was van plan om een stripmuur rond uw karakters op te trekken, maar u hield de boot af. Nijlen wilde een standbeeld oprichten van Piet Pienter, Bert Bibber en Susan, en ook daar stak u een stokje voor. Waarom, eigenlijk?

"(Met luide stem) Als ik aandacht had gewild, was ik wel in het theater gegaan. Ach, ik ben een hartvreter. Een urk. Hoezo, u kent dat niet? Ene die tegen zijn goesting leeft en niemand kan uitstaan. Voilà.
Ach, ik ben altijd al iemand geweest die niet onder de mensen wilde komen. Maar wat zei men dan over mij? (Roepend) Dat ik een enfant terrible was. Waarom nu? Ik laat iedereen gerust. Ik ben een Einzelgänger. Wat is daar mis mee?
Nu, ondanks de humor in 'Piet Pienter...' ben ik altijd een triestigaard geweest. Maar toen Mieke, mijn levensgezellin, zeven jaar geleden stierf, was ik het helemaal. Zonder haar ben ik niks, interesseert niets me nog. Ik zit elke dag te schreien om haar. Ik zou 's avonds willen gaan slapen en 's morgens dood opstaan. Ik leef tegen mijn goesting. Maar ik ben niet gek, hé?! Ik ga me niet van kant maken. Ik val nog liever dood.”
 

Pom

Nochtans heeft het niets gescheeld of u was helemaal geen tekenaar geweest. Dankzij of misschien wel ondanks de oorlog kwam daar verandering in. Hoe zit dat precies in mekaar?

"Hoewel we erg Vlaams gezind waren, waren we geabonneerd op Le Vingtième Siècle, het weekblad waarin Kuifje werd gepubliceerd. Fantastisch. Ik wilde ook striptekenaar worden, maar mijn moeder was toen al gestorven en mijn pa, een schoolmeester, was iemand van den ouwe tijd. Een hele strenge man. Zo eentje met een Kaiser Wilhelm-snor. Ik kreeg meer slaag dan eten, en ik kreeg véél eten. (Grijnst) Maar goed, hij vond stripauteur geen beroep. Ik moest zoals mijn oudere broer ingenieur worden. Hij stond toen bekend als een radiopionier, en hij gaf me zin het ook te worden. Ik heb mijn vakschool uitgelopen en kwam in 1940 nabij Berlijn bij Blaupunkt terecht. Met avondlessen heb ik daar in '44 mijn diploma kunnen halen. Maar toen ik terugkwam uit Duitsland vloog dat diploma meteen de vuilbak in. Het telde niet. Waarom? Ik was 'ne zwarte'. Luister, ik heb niet veel verstand, maar toch genoeg om Hitler een bandiet te vinden. Maar ik had het wel voor de Duitsers omdat het de grootste sukkelaars van heel de oorlog waren. In 1940 was ik soldaat, maar wij Belgen waren er sneller van af. Ik leef ook nog. Maar hoeveel van mijn Duitse generatiegenoten kunnen dat zeggen? En wees maar gerust: die mensen ginder vervloekten Hitler. Begrijpelijk. Hun man en vader was weg. Sukkelaars! Er was maar een klein procent echte smeerlappen: de SS, de partijmannen. Die werden gehaat, maar dan kon niemand tonen.”

Eenmaal terug in België belandde u in de gevangenis.

“Na de oorlog, toen ik terugkwam in België, hebben ze me een jaar in de bak gestoken. Het was in die tijd al genoeg dat je in ruzie lag met uw buur. Die gaf je aan, en je kon meteen de bak in. Je er in krijgen was makkelijk, je eruit krijgen moeilijk. Dat was me een tijd. Mijn papieren kwamen ook uit Duitsland. Op die documenten stond zo'n adelaarsstempel. Dat was al genoeg om me te verdenken. (Schudt het hoofd) Maar goed, eigenlijk vond ik het jaar dat ik soldaat was nog veel erger dan het jaar dat ik in de bak zat. Maar je begrijpt wel waarom ik nu anti-Belg ben. Ha, ik had niets gedaan! Daardoor ben ik uit -zeg maar- moedwilligheid en verbittering- mijn jeugddroom gaan najagen. Men zei toen dat ik beter voor mijn vrouw en kinderen moest gaan werken. Maar ik hield vol en mag wel zeggen dat ik er in geslaagd ben, niet?"

Zeker. Maar toch brak u uw eerste verhalen tot op het bot af.

"Voor ik bij Gazet van Antwerpen terechtkwam, tekende ik mijn reeks voor Het Handelsblad. Maar dat tekenwerk toen?! Vreselijk. Meneer De Kimpe, de directeur van het Handelsblad, zei me dat ik een amateur was. Maar toen ik daarop mijn verhaal hertekende, nam hij me toch aan. Helaas was dat een arme gazet. De Kimpe heeft me na enkele jaren zelfs geholpen met naar de Gazet van Antwerpen te gaan. Daar ben ik hem nog steeds dankbaar voor.
Mijn stijl was toen ook beter ontwikkeld. Dat kon je van die eerste verhalen niet zeggen. Als verhaal waren ze wat, mja, primitief. Maar ik heb er door geleerd. Vanaf album elf werd ik beter. (Trots) Weet je wat ik goed kon? Beweging tekenen. In mijn auto's ook. Merho (tekenaar van Kiekeboe, GDW) kan dat niet. Die mag een auto in volle vaart tekenen, je ziet niet eens dat ie beweegt, terwijl mijn auto's in de bochten zelf mee scheef opveerden.
Er is maar één tekenaar waar ik respect voor heb: Franquin. Ik heb hem nooit proberen te imiteren, maar ik heb er veel van geleerd. In het begin tekende ik zoals Hergé: alles even dun. Maar op het einde kon ik zwieriger tekenen, zoals Franquin. Met één pen kon ik plots ook dunne én dikke lijnen tekenen."

 

Liet u zich daarbij ook inspireren door uw generatiegenoten in Vlaanderen? Ik noem maar wat: Willy Vandersteen, Jef Nys of Marc Sleen?

"Sleen? Die wil ik niet eens kennen. Vind gij dat die kan tekenen? Vandersteen: Nog erger. Ik moet van die mens niets weten. De enige collega met wie ik het kon vinden was Jef Nys, maar die kende ik toevallig omdat hij voor mijn kozijn bij 't Pallieterke werkte. Dat was ne brave mens. Het enige wat ik hem wat kwalijk neem is dat hij altijd gezworen heeft zijn figuren volks en Antwerps te houden, terwijl hij later toch overstag is gegaan en zijn figuren met 'je' en jou' liet spreken. Dat is nu net waarom mijn albums zo populair waren: omdat ik ouderwetste, volkse gedragingen en dialogen toonde. Toen ik naar Standaard Uitgeverij overging -waar ze trouwens mijn boeken afschuwelijk inkleurden- wilden ze dat veranderen, maar dat heb ik verhinderd.”

Pom

Was het succes van de anderen -ik noem Sleen en Vandersteen- u een doorn in het oog?

“Maar neen. Door de voorpublicatie in Gazet van Antwerpen was ik in Antwerpen wel erg populair. Toen het derde album van de pers rolde, kreeg ik een briefje van de uitgeverij waarop stond dat het met voorbestellingen al uitverkocht was. Fier dat ik was. Ik weet niet meer over hoeveel exemplaren dat ging, maar de laatste tijd werden ze op vijftigduizend gedrukt. En na enkele weken begon men al aan een herdruk. Ik had echt niet te klagen.”

Wat zeggen de ironische humor en persoonlijkheden van Bert Bibber en Piet Pienter over uzelf?

(Brede grijns) “Hm, ik ben langs de ene kant nogal serieus, en langs de andere kant een beetje dwaas en opvliegend. Dat is hoe Piet en Bert zijn, hé?! En Piet rookt ook pijp. Maar ik heb dat zeker niet bewust gedaan. Dat is er in geslopen zonder dat ik het wist.”

Zeventien jaar jaar geleden bent u definitief gestopt met uw reeks. Waarom, eigenlijk?

“Heel simpel: De inspiratie was op. En het papier ook. Letterlijk. Mijn schoonbroer was directeur bij Gevaert. Hij gaf me fotopapier zonder gevoelige laag waarop ik met mijn pen kon 'zwieren' terwijl fouten er makkelijk op afgeschraapt konden worden. In die 45 jaar ben ik dat gewoon geraakt. Toen dat papier op was, was mijn goesting over. Op ander papier kon ik niet langer tekenen. Bovendien moést ik er wel mee ophouden. Ik was 74. Ik had lang genoeg getekend.”

Heeft u er nooit aan gedacht om een opvolger aan te duiden?

“Nooit! Er is iemand die heel goed mijn tekeningen namaakt: Tom Bouden. Hij heeft ook een soort hommage-album getekend. Maar het gaat niet alleen om de tekeningen, natuurlijk. Ik weet niet of iemand verhalen kan schrijven zoals ikzelf. In ieder geval ben ik zo iemand nog niet tegengekomen.”

 

Voor het hommagealbum 'Op het spoor van Pom', dat vandaag verschijnt, hebben meer dan 60 zestig bekende en minder bekende Vlaamse stripauteurs ieder een pagina getekend. Het gaat ondermeer om Marc Legendre, Ersel, Dirk Stallaert, Jeff Broeckx, Conz, Luc Cromheecke, Paul Geerts en Reinhart.

 

Geert De Weyer