Peter vs. Peter in het Designmuseum

do 25/07/2013 - 11:12 Terwijl buiten de Gentse Feesten woeden zijn in het Designmuseum in Gent in alle stilte twee nieuwe tentoonstellingen geopend. U kunt er kennis maken met de architectuur en ontwerpen van Peter Behrens en de schitterende illustraties van Peter De Greef.

peter behrens peter de greef designmuseum gent industriele vormgeving architectuur jugendstil nieuwe zakelijkheid bauhaus duitsland henry van de velde ludwig mies van der rohe walter gropius le corbusier aeg albert speer christopher dresser wereldtentoonstelling rene magritte grafiek partituren bladmuziek bobbejaan schoepen toots thielemans jazz

Peter Behrens, een Duitse architect/ontwerper -een tijdgenoot van Henry van de Velde- en Peter De Greef, een Brusselse illustrator die in zijn vrije uren achter het drumstel plaats nam, dat zijn de twee onderwerpen van de zomertentoonstellingen in het Gentse Designmuseum.

Wie is Peter Behrens?

Peter Behrens (1868-1940) speelt een beslissende rol in het ontstaan van de moderne industriële vormgeving. Deze zelfverklaarde autodidact - hij volgt wel een opleiding als schilder, maar laat de schilderkunst al snel achter zich - wordt gezien als een designpionier die het begrip bedrijfshuisstijl heeft “uitgevonden”.

Peter Behrens is de zoon van een rijke familie die op jonge leeftijd een aanzienlijk fortuin erft. Na zijn eerste stappen als schilder heeft hij - net zoals Henry van de Velde - het gevoel dat “l’art pour l’art” niets voor hem is. Stilaan begeeft hij zich meer en meer op het domein van de toegepaste kunsten. In 1899 wordt hij door Ernst Ludwig, groothertog van Hessen, uitgenodigd in de door deze mecenas opgerichte kunstenaarskolonie Mathildenhöhe nabij Darmstadt. Zonder formele opleiding ontwerpt en bouwt hij daar in 1901 zijn eerste eigen woning die als een totaalconcept bedacht is en net als de villa Bloemenwerf van zijn Belgische collega grote indruk maakt.

links het huis in de kunstenaarskolonie Mathildenhöhe (1901)
rechts de AEG-turbinehal in Berlijn (1910)

Multitasking avant la lettre

Behrens profileert zich ook als lesgever. In 1903 wordt hij directeur van de school voor kunstnijverheid in Düsseldorf. Vanaf 1922 geeft hij les aan de Weense Academie voor Schone Kunsten en in Berlijn wordt hij hoofd architectuur van de Pruisische kunstacademie (de huidige ‘Akademie der Künste’).

Naast ontwerpen voor servies, bestek, verlichtingsarmaturen en lettertypes - de vormgeving van de tekst “Dem Deutschen Volke” op de Reichstag in Berlijn is een ontwerp van Behrens in samenwerking met Anna Simons - blijft de architectuur het gros van zijn activiteiten uitmaken. In 1907 vestigt hij zich in Berlijn als zelfstandig architect met medewerkers die later tot de meest gerenommeerde van de moderne architectuur zullen behoren (Ludwig Mies van der Rohe, Walter Gropius en Le Corbusier).

Op de tentoonstelling in Gent wordt in een fotomontage een overzicht gegeven van de gebouwen die op de tekentafels van zijn bureau zijn ontstaan. Daaronder bevinden zich enkele iconische gebouwen. Vooral de AEG-turbinehal uit 1910 in de Moabitwijk in Berlijn groeit uit tot een klassieker in de moderne architectuurgeschiedenis. Het is het eerste industriële bouwwerk in Duitsland gemaakt van staal, beton en glas. Het gebouw is een vroeg voorbeeld van functionalistische architectuur die later tijdens de Bauhaus-periode tot volle ontwikkeling komt.

De vader van het "corporate design"

In de daaropvolgende jaren ontwerpt Behrens verscheidene industriële en administratiegebouwen, privéwoningen en woonwijken voor arbeiders van de Allgemeine Elektricitäts-Gesellschaft. Aan het hoofd van dit industriële concern staat Emil Rathenau, een verlichte geest die het belang inziet van een allesomvattende vormgeving voor zijn bedrijf. Hij stelt Behrens aan als artistiek adviseur en die gooit zich met overgave op die taak. Hij ontwerpt dus niet alleen gebouwen voor het bedrijf maar ook de producten die in de fabrieken gemaakt worden. Lampen, ventilatoren, waterkokers en klokken; al deze voorwerpen krijgen door Behrens een uitgepuurde, zakelijke stijl aangemeten. Hij ontfermt zich ook over de verschillende logo’s en reclamepanelen die de producten van AEG aan de man moeten brengen.

Naast zijn ontwerpen voor AEG blijft hij ook actief als architect voor andere bedrijven. Tussen 1920 en 1924 ontwerpt en bouwt hij voor Höchst AG in Frankfurt het ‘Technische Verwaltungsgebäude’ dat nog steeds zeer zakelijk oogt maar toch als typevoorbeeld van de meer expressionistische stijl geldt. Vooral de uitwerking van de klokkentoren en de rijkelijke inrichting van de binnenruimten getuigen van een opvallende fantasie en een gedurfd kleurgebruik.

Foute vrienden

Ook de Duitse staat klopt bij hem aan voor zijn officiële gebouwen. Zo ontwerpt hij de gebouwen van de Duitse ambassade in Sint-Petersburg, een gebouw waarvan Adolf Hitler later een liefhebber blijkt te zijn. Als Behrens in de late jaren dertig met Albert Speer samenwerkt en Speer daardoor in conflict komt met de invloedrijke nazi-ideoloog Alfred Rosenberg, neemt Hitler Behrens in bescherming, net omwille van het gebouw in Sint-Petersburg.

Op de tentoonstelling in Gent worden de ontwerpen van Behrens gesitueerd tegenover die van zijn voorlopers en tijdgenoten. Zo is er werk te zien van de Schot Christopher Dresser, een voorloper die te boek staat als de eerste echte industriële ontwerper, van de Nederlander Jan Eisenloeffel en van de meer bekende namen als Josef Hoffmann, Kolo Moser en Henry van de Velde. Er wordt ook dieper ingegaan op de link met Gent. In 1913 is Behrens namelijk een van de hoofdfiguren op de tentoonstelling in het Duitse paviljoen op de Wereldtentoonstelling die dat jaar in de Arteveldestad plaats heeft. Behrens krijgt er een volledige zaal toegewezen waar zijn ontwerpen worden uitgestald.

Wie zich wil verdiepen in deze boeiende figuur, die als een echte allround kunstenaar een blijvende invloed op de Europese architectuur- en designgeschiedenis heeft uitgeoefend, kan dus tot 27 oktober terecht in het Designmuseum in Gent.

En dan is er die andere Peter

In de kelderverdieping van het museum komt de muziek- en grafiekliefhebber aan zijn trekken. Hier worden de illustraties van Peter De Greef voorgesteld. Deze in Anderlecht geboren tekenaar, een tijd- en studiegenoot van René Magritte en Victor Servranckx, gaat na zijn studies aan de Brusselse Academie des Beaux Arts begin jaren twintig net als zijn vrienden noodgedwongen aan de slag als commercieel illustrator.

Het is een tijd dat kunstenaars met hun tekentalent terecht kunnen bij verschillende artisanale firma’s die emailplaten, glasramen, behangpapier e.d. produceren. Magritte en Servranckx maken ontwerpen voor behangpapier en Peter De Greef zal uiteindelijk naam maken - net als René Magritte - als illustrator voor muziekuitgeverijen. In de jaren twintig worden platen meestal verkocht in anonieme standaardhoezen maar de partituren worden wel opgesmukt met passende illustraties.

En avant la musique

In 1921 maakt hij zijn eerste partituurillustratie voor de uitgeverij Pletinckx en na een onderbreking voor zijn militaire dienst neemt hij de draad weer op en gaat hij aan de slag voor een resem van uitgeverijen met vergeten namen als Mado, Maison Musicale Moderne en Office Musical. De ietwat fantasieloze presentatie op schragen in het museum doet niets af aan de ongebreidelde fantasie en het onmisbare tekentalent van Peter De Greef.

Opgedeeld in een aantal thematische hoofdstukken zien we een volledig overzicht van zijn zwierige oeuvre dat varieert van art deco over stripachtige tekeningen tot karikaturen. Het zijn relieken uit een tijd die in terugblik vol van levensvreugde lijkt te zijn verlopen.

Dansende dames en heren in avondkostuum die de geneugten van de liefde bezingen, exotische schonen die met de castagnetten klepperen en een romantische zigeunerin voor een mooie “roulotte”, het zijn voor onze moderne ogen nostalgische beelden van een onbezorgde tijd die in werkelijkheid waarschijnlijk minder rooskleurig was.

Van Bobbejaan Schoepen tot Toots Thielemans

Naast tekeningen voor bladmuziek worden er ook affiches en tijdschriften getoond waarvoor De Greef illustraties leverde. Vooral op de grappige covers van het magazine ‘Week-end’ komt het talent van De Greef tot zijn volste recht. Eind jaren veertig werkt Peter De Greef ook voor de Antwerpse krant ‘Le Matin’. Hiervoor levert hij per week twee humoristische tekeningen die de actualiteit op een licht satirische wijze becommentariëren.

Eind jaren vijftig wordt De Greef het slachtoffer van de evoluties in de muziek- en uitgeverijwereld. Waar hij begin jaren vijftig nog regelmatig muziekpartituren en platenhoezen illustreert (o.a. een aantal platen van Bobbejaan Schoepen op Decca en bladmuziek met pianobewerkingen van Toots Thielemans nummers) moet hij vanaf midden jaren vijftig steeds meer concurreren met jongere, goedkopere grafici en de opkomst van de fotografie. Ondanks zijn indrukwekkende portofolio vindt hij nog maar moeilijk werk en moet hij zich tevreden stellen met minderwaardige ontwerpen voor een uitgeverij van overdrukprentjes. Ook zijn werk als theaterdecorateur en ontwerper van winkeldecoraties valt geleidelijk stil.

Ode aan een vergeten kunstenaar

Naast al zijn tekeningen in opdracht schilderde De Greef ook vrij werk. Het grootste gedeelte van deze doeken en panelen is echter verloren gegaan toen inbrekers zijn huis in Ganshoren binnendrongen. De Greef - toen al in de tachtig - was afwezig omdat hij en zijn vrouw na een zware valpartij in het ziekenhuis verzorgd werden.

Deze tentoonstelling is een passend eerbetoon aan een vergeten figuur die onze aandacht verdient. Door het samenbrengen van zijn illustraties wordt een mooi tijdsbeeld gecreëerd dat misschien nog sterker uit de verf had kunnen komen met een meer uitgekiende presentatie.

[ Peter Behrens, van Jugendstil tot industriële vormgeving en Peter De Greef, illustrator van bladmuziek in het Designmuseum in Gent tot 27 oktober 2013 ]


 

[ Bij uitgeverij Belgatone publiceerde Christian Van Den Broeck in 2012 het boek 'Who is Peter De Greef?' met het levensverhaal van de Belgische illustrator. Het boek is te koop in het museum. ]